Hoewel postrock vaak wordt gedomineerd door een wisselwerking tussen dromerige gitaarlijntjes en loodzware bakken herrie die beurtelings over de luisteraar worden uitgestort, pakken de Ierse postrockers van And So I Watch You From Afar dit toch net even anders aan. De ingrediënten zijn weliswaar aanwezig, maar in een wat meer onorthodoxe samenstelling. Op het eerste gehoor hebben de muzikanten een hoorbare achtergrond in de metal, want het gitaarwerk kent weinig compromissen en is nogal van de direct aanpak. De riffs in opener BEAUTIFULUNIVERSEMASTERCHAMPION zijn dan misschien nog wat lichtvoetig, in de nummers erna snijden ze zonder genade tot op het bot. De wisselwerking van de twee gitaristen doet je soms duizelen maar is opvallend genoeg altijd haarscherp te horen, in plaats van verdronken te worden in effecten en echo’s. Drums en bas zorgen ondertussen voor overgangen tussen stralende zonnehemels en onheilspellende donderluchten. Hoogtepunt is het nummer Gang (never start stopping) waarin al deze fascinerende kwaliteiten in een vijfeneenhalf minuten durend nummer samenkomen.
Kunstenaars zijn vaak op hun best als ze lijden. Deze tegeltjeswijsheid lijkt van toepassing op de nieuwe Anouk. To Get Her Together pakt voor de zangeres uit als een therapeutische plaat waarop zij een stukgelopen relatie verwerkt op dikwijls rauwe en exhibitionistische wijze. Niks geen metaforen, dubbele bodems of verwijzingen. Anouk legt haar hele ziel en zaligheid bloot en je hebt maar te luisteren. To Get Her Together zal niet vaak in de speler van haar ex belanden maar het publiek moet wel onder de indruk raken van deze reality-cd. Anouk is boos, verontwaardigd, verdrietig en vernederd. Love is a battlefield. Wie zong dat ook alweer? Maar ze is ook trots op wie en wat ze is en ook die emotie komt goed door, sterker nog: dat is haar sleeptouw. Haar vertrouwen in eigen muzikale kunnen, lijkt er alleen maar op vooruit te zijn gegaan. Qua sfeer domineren de blues maar de elf nummers zijn zeer gevarieerd en toch alle onmiskenbaar Anouk. Het komt wel goed met Anouk. Zij noemt zich geen topper maar zij is het echt. En dat moet vaker worden geconstateerd.
Pak die luchtgitaar d’r maar bij, want niemand kan -gegarandeerd!- dit feestpakket zonder dit instrument uitzitten. Hoewel, zitten… Stoer ook, dat deze Ierse Rock ‘n’ Roll Outlaws, die in 2006 met veel gevoel voor anachronisme debuteerden met Rise onder toeziend oog van de moeder van Phil Lynnott, iets dat als kwaliteitskeurmerk mag gelden dunkt ons, héél stoer dat er nu al een DVD met een dwarsdoorsnede van dat Rise (3 songs) en de potige opvolger Everyday Demons (6 songs) in de vorm van live beeldmateriaal verschijnt, die ook nog alle officiële clips bevat plus een bonus cd met eveneens live materiaal, verzameld tijdens de tour met AC/DC in 2009 en 2010. For Those About To Rock, We Salute You!
Twee jaar na het zeer goed ontvangen zware conceptalbum Hospice, keert de uit Brooklyn afkomstige Peter Silberman terug met een ‘gewone’ liedjesplaat. Tien staan er op Burst Apart, dat behoorlijk lichter van toon is dan zijn voorganger, maar desondanks overwegend melancholiek klinkt. Veel elektronische invloeden deze keer, waardoor The Antlers dichter in de buurt komen van bands als Deerhunter en Radiohead. De lichte, soms zelfs ijle klanken roepen de postrock van Sigur Rós in herinnering, terwijl de ook aanwezige soulvolle ondertoon in de verte een beetje doet denken aan het recente werk van TV On The Radio. Hoewel de titel misschien anders doet vermoeden, dringt Burst Apart zich nooit op directe wijze aan de luisteraar op, maar beetje bij beetje kruipt de plaat wel steeds verder onder de huid. Erg mooi is de trompet in het zeer sfeervolle Hounds, een van de hoogtepunten op dit fraaie schijfje dat zich niet in een paar luisterbeurten laat doorgronden.
Het vierde album van Arctic Monkeys is veel minder zwaar en zompig van toonaard als voorganger Humbug. Wat wel aanwezig is? Het album staat wederom propvol met melancholie en met dat o zo, bekende, vervaarlijk galmend gitaargeluid. Maar daarbij is Suck It And See op het eerste gehoor al, vele malen toegankelijker dan het album uit 2009. De nummers zijn minder uitgesponnen, minder psychedelisch ook. Ze hebben een duidelijke kop en staart. Toch kan je ook weer niet stellen dat de groep onder leiding van Alex Turner bewust voor de gemakkelijke weg kiest. Dat ze een eendimensionale hitmachine zijn die alleen maar belust is op hoge verkoopcijfers.
De Arctic Monkeys doen er juist hoorbaar alles aan om muzikaal geïnspireerd te blijven. Nu weer, hebben ze de hulp ingeroepen van James Ford, die hun tweede album Favourite Worst Nightmare produceerde. Hij bracht het heldere geluid terug. Soms hoor je The Stranglers, dan weer U2 of The Strokes. Enkele hoogtepunten? Het titelnummer met de werkelijk prachtige koortjes, Piledriver Waltz bevat een heerlijke tempowisseling, Love Is A Laserquest laat Turner horen als jonge Morrissey. Het nummer Brick By Brick is fantastisch en de riff in de single Don’t Sit Down ‘Cause I’ve Moved Your Chair’ weergaloos.
In vijf jaar tijd, vier goede, invloedrijke rockalbums. Waarbij de laatste misschien wel de beste is. Want als je dat album Suck It And See een paar keer gehoord hebt, blijkt dat de eenheid van een reeks Arctic Monkeysnummers nimmer zo groot was. Ik voorspel een plek in de hoogste regionen van menig jaarlijstje.
Het is even schrikken op het eerste gehoor. Hebben ze de charismatische frontman Eddie Argos ingeruild voor een zanger? Argos deed de muziek van Art Brut immers kenmerken door zijn voordracht in plaats van zang. Het was echter producer Black Francis die hem speciaal voor hun vierde album deed leren zingen. Even wennen is het wel als je anders gewend bent, maar gelukkig loert Eddie's eigenwijze stijl om elke hoek. Brilliant! Tragic! is er verder niet eentje van grootse veranderingen en ook dat is misschien wel zo prettig. Anders zouden we verstoten blijven van geweldige pretentieloze pareltjes als Axl Rose, met veel humor en knipoogjes naar de klassieken uit de rockhistorie.
Ondanks dat dit Arthur’s eerste solo plaat in vijf jaar is, is hij een bezig baasje. Zo konden we op zijn platen met The Lonely Astronauts en A Fistful Of Mercy horen dat hij zijn inspiratie nog lang niet kwijt is. De indruk laat hij ook achter met the Graduation Ceremony, een wat melancholiek, echt singer/songwriter album, waarin hij de saaiheid van het bestaan in zijn thuisplaats Akron bezingt in Midwest, een met een prachtige falsetto stem zijn dromen in Over the Sun. De band met onder andere Jim Keltner op drums wordt regelmatig aangevuld met een vol orkestrale begeleiding, waardoor de melancholie nooit in verveling overslaat, maar vaak naar mooi muzikale erupties. Een roots album dat het maximale uit het genre haalt.
Op haar tiende zong de Lets-Canadese Katie Stelmanis al voor de prestigieuze Canadian Opera Company. Een carrière in de klassieke muziek was het doel, maar na een paar jaar studie, stapte ze daar toch vanaf. Of de wereld hiermee een groot operazangeres heeft verloren, weet ik niet, maar de popmuziek mag zich gelukkig prijzen. Na een onopgemerkt gebleven solo-album onder eigen naam, debuteert Stelmanis nu als Austra, dat naast haar uit drummer Maya Postepski en bassist Dorian Wolf bestaat, maar waarvan ze zelf zonder meer de grootste blikvanger is. Een fascinatie voor de donkere kant van de vroege jaren ’80, zeg maar Japan en Soft Cell, lag ten grondslag aan dit project dat al diepe indruk maakte met de eerste single Beat And The Pulse. Duistere en dansbare elektronica op singer/songwriter basis, zo zou je de muziek kunnen omschrijven. The Knife is voor de hand liggend vergelijkingsmateriaal, maar Austra heeft met herkenbare middelen een volstrekt eigen en zeer bijzonder geluid weten te creëeren, waarbij de indrukwekkende stem van Stelmanis bepalend is. Maar uiteindelijk zijn het de ijzersterke liedjes van Feel It Break een onontkoombare plaat maken!
autoKratz, dat bestaat uit Engelsen David Cox en Russell Crank maakt
sinds 2008 dansbare elektronica, die het goed doet in clubs.
Ze zaten eerst bij het hippe Kitsuné , zijn gewilde mixers en waren op tournee met Underworld.
Met dit tweede album lanceren ze hun eigen label Bad Life. Ze vroegen New Order-bassist Peter
Hook en Primal Scream-gitarist Andrew Innes te helpen.
Gevarieerd album, een beetje New Order en zeer dansbaar.
Het debuut Mirrored van Battles sloeg in 2007 in als een bom. Deze uit drummer John Stanier (Tomahawk, Helmet), gitarist/toetsenist Ian Williams (Don Caballero, Storm & Stress), gitarist Dave Konopka (Lynx), en gitarist/keyboardist Tyondai Braxton (zoon van Avantgarde Jazz musician Anthony Braxton) bestaande gezelschap zette op dat album een uniek instrumentaal geluid neer. Braxton verliet vorige jaar augustus de groep. Dit heeft echter nauwelijks gevolgen voor het speelse uit delen math- , post en indierock opgebouwde groepsgeluid. Nieuw is de toevoeging van vocalen in een aantal nummers. Zo doet onder andere zangeres Kazu Makino van Blonde Redhead mee op Sweetie & Shag en is zelfs oudgediende Gary Numan van de partij op My Machines. Voor de rest kan gesteld worden dat Gloss Drop vooral een stuk pakkender is uitgevallen dan het debuut en dat is voor ons luisteraars een absolute winst.
Gelukkig zijn er in Nederland nog volop pareltjes te vinden die lekker
hun eigen gang gaan en daar geen commerciële talentenjacht met
narcistische BN ‘ers voor nodig hebben. Benny Sings is zo’n parel. Al
zo’n 10 jaar is hij actief in de muziek waarbij hij de laatste jaren
ook succesvol achter de knoppen zat bij labelgenoten Wouter Hamel en
Giovanca. Op zijn vierde album doet Benny Sings weer alles zelf:
instrumentatie, arrangementen, produceren en zelfs zijn eigen
videoclip (eerste single Big Brown Eyes). Aan alles is te horen dat op
Art jaren lange ervaring en passie samenkomt. De songs zijn
gevarieerd, soulvol (Realize), funky (Each Other) en ademen allemaal
in instrumentatie een luchtigheid die je het gevoel geven dat Benny
Sings gezellig bij je thuis onder de Blokker partytent staat te
zingen. In feite bevat Art louter tijdloze miniatuurtjes waaraan de
familie Saunders een puntje kan zuigen. Inderdaad, de titel zegt
genoeg, deze plaat is een kunstwerk!
Koen Kohlbacher, een Belg met Oostenrijkse roots, is singer-songwriter en gitarist. Hij heeft
een zwak voor Britse muziek en begint Birds That Change Colour. In 2007 wordt de groep versterkt
door drummer Schroyen, o.a. Millionaire, en bassist Albertijn. Ze maken
psychedelische pop, met flarden Syd Barrett en Incredible String Band. Gedragen
door Kohlbacher's dromerige stem zijn het miniatuurtjes waarin fraaie samen-
zang is te horen. Ze vragen Pascal Deweze, o.a. Sukilove, en Nathalie Delcroix, o.a. Laïs,
om mee te doen. Verder doen klassieke muzikanten als Patrick Denecker mee.
Resultaat is een debuutalbum, dat wegluistert als een dromerige dag op het Engelse platteland.
Bijzonder fraai.
Ondanks het toenemende succes van Black Lips moesten we helaas concluderen dat ze zich er met het laatste album 200 Million Thousand wel wat makkelijk vanaf hadden gemaakt. Door het drukke toerschema van de band klonk het eindresultaat als een haastklus. Waarschijnlijk hebben ze dat zelf ook ingezien aangezien dit zesde studioalbum hun meest geïnspireerde album is geworden sinds Let it Bloom uit 2005. De groep heeft het stofzuigergeluid van hun eerste drie albums definitief achter zich gelaten ten faveure van een pakkende, maar niet te poppy garagesound. Ook zijn de nummers vrijwel zonder uitzondering weer dik in orde met Modern Art als onweerstaanbaar prijsnummer. Het vele toeren heeft duidelijk zijn vruchten afgeworpen want deze jonge band klinkt als een goed geoliede machine die vijf decennia rock 'n roll tot een fris eigentijds geluid weet te kneden.
Het vierde album van de band uit Ohio staat vol van verwijzingen naar grootheden uit de rock ’n soul geschiedenis. Roy Orbison, Jimi Hendrix, terwijl de derde track zelfs Joe Tex heet. Onderliggend thema is dan ook dat de folk rock band liever zijn vertrouwen en geloof in deze helden plaatst dan in andere religieuze voorgangers. Dat wordt ook nog enkele malen toegelicht in diverse, wat bevreemdende, gesproken intro’s. De akoestische sound kent een hoofdrol voor violist Noel Sayre, die echter tijdens de opnameperiode verongelukte.
Waar die Leo Blokhuis toch de tijd vandaan haalt willen wij wel eens weten, want nog maar net klaar met onze halfgeslaagde zoektocht naar de bijbehorende elpees van de uitmuntende tracks op de vorige Lost & Found (die blauwe met Bob Dylan op de cover) verschijnt alweer een verschroeiend goed uitgebalanceerd (uiteraard, het is Léo!) derde deel in deze serie, die met Sleeping Beauties aanving vol oude, nieuwe en (on)bekende maar hoe dan ook tijdloze kwaliteitspop waarbij zijn partner, Ricky Koole als zangeres en actrice zijnde natuurlijk ook weer een bepalende rol speelde, terwijl wij ondertussen Leo's soloproject Songs From The Westcoast nog steeds volop beleven, en hij, zo 'lekte' zijn muzikale collega Mart Smeets in For The Record onlangs, alweer vrolijk bezig schijnt te zijn met een project rond Muscle Shoals! Oh, geen tournee deze keer? Aha..!
TRACKLISTING CD 1 1. A.J. CROCE - CHECKIN’ IN 2. SAMMI SMITH - SAUNDERS FERRY LANE 3. CLOUDMACHINE - SAFE HAVEN 4. EMILIANA TORRINI - FISHERMAN’S WOMAN 5. C.W. STONEKING - THE LOVE ME OR DIE 6. JERRY JEFF WALKER - MORNING SONG TO SALLY 7. DANKO, FJELD & ANDERSEN - BLUE RIVER 8. IRMA THOMAS - RULER OF MY HEART 9. BEN TAYLOR - HOW CAN I TELL YOU 10. LITTLE RICHARD - I DON’T KNOW WHAT YOU’VE GOT BUT IT’S GOT ME 11. DAYNA KURTZ - LOVE GETS IN THE WAY 12. JAMES HUNTER - TIL THE END 13. BLOOD SWEAT & TEARS - GOD BLESS THE CHILD 14. CHET BAKER - MY FUNNY VALENTINE 15. JOHNNY CASH – HURT 16. OTIS GIBBS - WHEN I WAS YOUNG 17. MATTHEWS’ SOUTHERN COMFORT - MY LADY 18. ARETHA FRANKLIN - TRY A LITTLE TENDERNESS
CD 2 1. BERTOLF - FEEL YOU 2. TIM HARDIN - MISTY ROSES 3. BOBBY BLAND - CHAINS OF LOVE 4. ELVIS COSTELLO - BABY PLAYS AROUND 5. DANIEL MARTIN MOORE - O MY SOUL 6.YVONNE BAKER - A WOMAN NEEDS A MAN 7. JACKSON C. FRANK - BLUES RUN THE GAME 8. MOBY GRAPE - NAKED, IF I WANT TO 9. MIDLAKE – BANDITS 10. DAVID ACKLES - LOVE’S ENOUGH 11. SHERYL CROW
- WE DO WHAT WE CAN 12. DAVID WIFFEN - ONE STEP 13. RYAN ADAMS - LA CIENEGA JUST SMILED 14. STEVIE WONDER - THEY WON’T GO WHEN I GO 15. TONY JOE WHITE - FOR OL’ TIMES SAKE 16. ALAN PRICE - TO RAMONA 17. BUFFY SAINTE-MARIE – GOODNIGHT
Tussen The Red Shoes uit en Aerial zat twaalf jaar. Ondanks het lange wachten werden trouwe fans van Kate Bush beloond met een goede comeback die 'La Bush' weer helemaal in het hier en nu plaatste. Aerial was in geen enkel opzicht een greep naar vroeger; we hoorden juist vernieuwing en experiment. De vreugde was dan ook groot toen het gerucht opdook dat er weer een nieuwe Bush zou verschijnen, nu niet twaalf maar zes jaar na het vorige album. Toen bleek dat Director's Cut nagenoeg geen nieuw werk bevatte kon een lichte teleurstelling niet onderdrukt worden. In plaats van niuewe Kate Bush-liedjes staan er op Director's Cut elf herbewerkingen van eerdere nummers.
The Sensual World ('89) en The Red Shoes ('93) zijn niet Kate Bush' meest bekende albums. Het zijn niet, om het zo maar te zeggen, Hounds of Love of The Kick Inside. Misschien is het wel goed dat Bush ervoor heeft gekozen om juist nummers van díe albums opnieuw in te zingen of compleet opnieuw in te spelen. Ze loopt niet het risico om een klassieker als 'The Man with the Child in his Eyes' voor een grote massa fans te verpesten, maar krijgt wel de kans om haar minder bekende werken opnieuw aan het licht te brengen. De voornaamste reden voor deze remakes is voor Kate Bush echter het uitbrengen van de nummers zoals zij ze bedoeld had.
In 1989 schreef Kate het liedje 'The Sensual World' over Molly Bloom, de hoofdfiguur in James Joyce's roman Ulysses, die uit de pagina's van het verhaal de echte wereld in stapt (“Stepping out,o ff the page, into the sensual world”). De tekst van James Joyce mocht ze niet gebruiken vanwege licenties en auteursrecht, dus schreef ze haar eigen interpretatie op. Maar, zoals ze zelf zegt: “Well, I’m not James Joyce am I?” Op Director's Cut staat 'Flower of the Mountain', een bewerking van 'The Sensual World', maar nu mét de oorspronkelijke tekst van Joyce. Zoals Kate Bush altijd al gewild had.
Een ander voorbeeld is 'Deeper Understanding'. Destijds hoorde dat niet bij de drie singles van The Sensual World, nu is het wel de eerste single van Director's Cut. Het nummer gaat over de liefde tussen een mens en een machine (behoorlijk visionair). “'Are you lonely, are you lost? / This voice console is a must.' / I press Execute.” In 1989 klonk het nummer al kil en metalig, maar twintig jaar later is het Kate pas echt gelukt om een computersfeer te creeëren. Des te knapper omdat alle muziek op Director's Cut analoog is ingespeeld, wat voor een warmer geluid zorgt dan het digitaal opgenomen The Red Shoes. De vocoder, ingesproken door Kate Bush' zoon, in 'Deeper Understanding', bevalt mij niet en zorgt ervoor dat ik toch met moeite naar het nummer luisteren, maar past wel bij de achterliggende gedachte.
Niet elke song op Director's Cut is even ingrijpend veranderd en ook lang niet elke verbetering is een goede. Zo is de leadsingle van The Red Shoes, 'Rubberband Girl', volledig opnieuw opgenomen en verworden tot een soort Rolling Stones-song met onduidelijke zang. 'This Woman's Work' duurt op Director's Cut twee minuten langer, maar is inhoudelijk uitgedund en van het mooie nummer dat het was blijft weinig meer over. Vaak zijn de toeters en bellen die de originelen een wat gedateerd geluid gaven weggehaald, wat voor een onwelkom kaal geluid zorgt. De zang zelf klinkt op Director's Cut dieper dan twintig jaar geleden en mist daardoor het karakter dat de nummers kregen door Bush' bijzondere, ijle stem.
Tot slot valt op dat van de elf herbewerkingen er zéven afkomstig zijn van The Red Shoes, en slechts vier van The Sensual World, wat in mijn ogen juist het betere album is. Songs als 'Love and Anger' of 'The Fog' zijn onaangeraakt (of onaangetast) gebleven. Eigenlijk is dat maar goed ook, want hoe zeer ik ook begrijp dat een artiest na tientallen jaren niet meer tevreden is over zijn werk – een muzikant wil immers altijd vooruit – denk ik dat het beter is om die nummers met rust te laten. Aan elk album of liedje kleeft een verhaal dat niet uit die context gehaald moet worden. Dat Kate Bush het toch heeft gedaan vergeef ik haar omdat het niet voor het geld is, maar vanwege haar artistieke drang, maar aan de reeds uitgebrachte platen voegt het niets toe. Dan liever een nieuw album. Ik weet zeker dat 'La Bush' het nog in zich heeft.
Tussen The Red Shoes uit en Aerial zat twaalf jaar. Ondanks het lange wachten werden trouwe fans van Kate Bush beloond met een goede comeback die 'La Bush' weer helemaal in het hier en nu plaatste. Aerial was in geen enkel opzicht een greep naar vroeger; we hoorden juist vernieuwing en experiment. De vreugde was dan ook groot toen het gerucht opdook dat er weer een nieuwe Bush zou verschijnen, nu niet twaalf maar zes jaar na het vorige album. Toen bleek dat Director's Cut nagenoeg geen nieuw werk bevatte kon een lichte teleurstelling niet onderdrukt worden. In plaats van niuewe Kate Bush-liedjes staan er op Director's Cut elf herbewerkingen van eerdere nummers.
The Sensual World ('89) en The Red Shoes ('93) zijn niet Kate Bush' meest bekende albums. Het zijn niet, om het zo maar te zeggen, Hounds of Love of The Kick Inside. Misschien is het wel goed dat Bush ervoor heeft gekozen om juist nummers van díe albums opnieuw in te zingen of compleet opnieuw in te spelen. Ze loopt niet het risico om een klassieker als 'The Man with the Child in his Eyes' voor een grote massa fans te verpesten, maar krijgt wel de kans om haar minder bekende werken opnieuw aan het licht te brengen. De voornaamste reden voor deze remakes is voor Kate Bush echter het uitbrengen van de nummers zoals zij ze bedoeld had.
In 1989 schreef Kate het liedje 'The Sensual World' over Molly Bloom, de hoofdfiguur in James Joyce's roman Ulysses, die uit de pagina's van het verhaal de echte wereld in stapt (“Stepping out,o ff the page, into the sensual world”). De tekst van James Joyce mocht ze niet gebruiken vanwege licenties en auteursrecht, dus schreef ze haar eigen interpretatie op. Maar, zoals ze zelf zegt: “Well, I’m not James Joyce am I?” Op Director's Cut staat 'Flower of the Mountain', een bewerking van 'The Sensual World', maar nu mét de oorspronkelijke tekst van Joyce. Zoals Kate Bush altijd al gewild had.
Een ander voorbeeld is 'Deeper Understanding'. Destijds hoorde dat niet bij de drie singles van The Sensual World, nu is het wel de eerste single van Director's Cut. Het nummer gaat over de liefde tussen een mens en een machine (behoorlijk visionair). “'Are you lonely, are you lost? / This voice console is a must.' / I press Execute.” In 1989 klonk het nummer al kil en metalig, maar twintig jaar later is het Kate pas echt gelukt om een computersfeer te creeëren. Des te knapper omdat alle muziek op Director's Cut analoog is ingespeeld, wat voor een warmer geluid zorgt dan het digitaal opgenomen The Red Shoes. De vocoder, ingesproken door Kate Bush' zoon, in 'Deeper Understanding', bevalt mij niet en zorgt ervoor dat ik toch met moeite naar het nummer luisteren, maar past wel bij de achterliggende gedachte.
Niet elke song op Director's Cut is even ingrijpend veranderd en ook lang niet elke verbetering is een goede. Zo is de leadsingle van The Red Shoes, 'Rubberband Girl', volledig opnieuw opgenomen en verworden tot een soort Rolling Stones-song met onduidelijke zang. 'This Woman's Work' duurt op Director's Cut twee minuten langer, maar is inhoudelijk uitgedund en van het mooie nummer dat het was blijft weinig meer over. Vaak zijn de toeters en bellen die de originelen een wat gedateerd geluid gaven weggehaald, wat voor een onwelkom kaal geluid zorgt. De zang zelf klinkt op Director's Cut dieper dan twintig jaar geleden en mist daardoor het karakter dat de nummers kregen door Bush' bijzondere, ijle stem.
Tot slot valt op dat van de elf herbewerkingen er zéven afkomstig zijn van The Red Shoes, en slechts vier van The Sensual World, wat in mijn ogen juist het betere album is. Songs als 'Love and Anger' of 'The Fog' zijn onaangeraakt (of onaangetast) gebleven. Eigenlijk is dat maar goed ook, want hoe zeer ik ook begrijp dat een artiest na tientallen jaren niet meer tevreden is over zijn werk – een muzikant wil immers altijd vooruit – denk ik dat het beter is om die nummers met rust te laten. Aan elk album of liedje kleeft een verhaal dat niet uit die context gehaald moet worden. Dat Kate Bush het toch heeft gedaan vergeef ik haar omdat het niet voor het geld is, maar vanwege haar artistieke drang, maar aan de reeds uitgebrachte platen voegt het niets toe. Dan liever een nieuw album. Ik weet zeker dat 'La Bush' het nog in zich heeft.
Zes jaar heeft dit album op zich doen wachten, maar klinkt bij de eerste tonen direct vertrouwd. John McCrea's nonchalante zang en teksten, de rammelende maar scherpe gitaarpartijen Xan McCurdy, een funkende bas, strakke drums en verfrissende keyboard- en trompetwerk van Vincent DiFiore. Het zit allemaal weer haarfijn door elkaar gevlochten op Showroom Of Compassion. Cake trekt meteen de aandacht erbij tijdens Federal Funding en met de kekke beat van Long Time komt de band weer uitermate cool voor de dag. Aan Frank Sinatra werd destijds op het album Fashion Nugget al eer betoond, maar hier doen ze het nog eens dunnetjes over met het uit zijn oeuvre afkomstige What's Now Is Now. Het is tevens de enige cover van de cd. Na nog meer van die eigenwijze Cake-hipness, halen ze voor de laatste tracks de voet van het gaspedaal. Het voort deinende country-uitstapje Bound Away, inclusief pedal steel, en het voorzichtig swingende The Winter brengt nog wat intimiteit in dit veelzijdige album. Cake kan het allemaal, maar dan wel op hun geheel eigen manier.
De Fania archieven zijn natuurlijk van onschattelijke waarde voor de ware mixer. Joe Claussell kreeg de originele banden van onder andere Eddie Palmieri, Celia Cruz en Ray Barretto om volledig zijn gang te gaan. Op de eerste CD van deze dubbelaar heeft hij negen klassiekers her-opgebouwd, op CD 2 volgt een uur lange mix waarbij hij alle deelgebieden die het Fania label rijk is aanhaalt.
Op basis van de muziek zou je verwachten dat deze blije hippies uit Californië komen, maar Cloud Control blijkt Australisch te zijn. Ook daar natuurlijk geen gebrek aan zonneschijn, dus dat verklaart een hoop. Op hun eerste langspeler laten deze jongens en meisje horen dat ze waarschijnlijk vooral opgewekt klinkende platen in de kast hebben staan, van de Talking Heads, Vampire Weekend en The Shins bijvoorbeeld en misschien ook wel iets van Fleet Foxes en mogelijk zelfs de B-52’s. De ietwat quirky stem van Alistair Wright voert de boventoon en zijn manier van zingen roept soms David Byrne in herinnering, maar hij wordt in alle liedjes op zeer charmante wijze ondersteund door Heidi Lenffer die ook in hun veelvuldige gezamenlijke ooh’s en aah’s overtuigt. Bliss Release is een aangename en pretentieloze folky indieplaat, waarop Cloud Control zich nadrukkelijk presenteert als een ideale festivalband voor de komende zomer.
In thuisland Canada is hij al sinds de jaren ’70 een ster, in Europa bleef de troubadour met zijn geëngageerde teksten altijd enigszins in de marge. Aan zijn platen ligt dat niet, weinig artiesten leveren zulke consistente albums af als Cockburn. Dit is alweer zijn 31e plaat en het moet gezegd worden: het is wederom een juweeltje geworden. Muzikaal is het erg sober, wat er voor zorgt dat de liedjes zelf centraal staan, gedragen door die karakteristieke stem die nog altijd niets aan kracht heeft ingeboet. Bruce is geen angry young man meer, maar dat betekent niet dat zijn teksten minder scherp zijn geworden. Luister bijvoorbeeld eens naar het ironische Call Me A Rose, over de reïncarnatie van Richard Nixon als een vrouw. De plaat bevat ook een aantal instrumentaaltjes, die echter zo mooi zijn dat ze de aandacht beslist niet doen verslappen. Cockburn mag dan inmiddels 65 zijn geworden, van ons hoeft hij nog lang niet met pensioen.
Mensen die houden van Britse bands als Belle & Sebastian en The Pains of Being Pure at Heart zouden Comet Gain eens moeten proberen. Aandoenlijke popsongs die veel hebben van bands uit de jaren zestig maar ook de noisepop van de jaren negentig.
Melodieuze liedjes met kop en staart, een orgeltje hier een viooltje daar, en afwisselend jongens en meisjeszang. Kortom, alle elementen die nodig zijn voor een band die volle zalen trekt een veel platen kan verkopen. Nu moet het publiek nog wakker worden.
Meidenpop is weer helemaal terug! Een van de allerleukste nieuwe bandjes die zich laten inspireren door girl groups uit de jaren zestig is het New Yorkse Cults. Vorig jaar was er al een fantastische single, Go Outside, die op geheel eigenzinnige wijze Motown in herinnering riep, gevolgd door het al even leuke Abducted. Nu is er een hele plaat waarop het geluid van bands als The Ronettes en Shangri-Las een flinke indie update krijgt, waarbij de zang doet denken aan een jonge Madonna. Elf perfecte popliedjes van gemiddeld nog geen drie minuten, de een nog aanstekelijker dan de ander, maken dit een onweerstaanbaar debuut!
Producer Brian Burton a.k.a. Danger Mouse is een druk en veelzijdig man. Hij zette zichzelf op de kaart met The Grey Album, vol mash-ups van Jay-Z en The Beatler, maar maakte ook naam als producer voor Gorillaz, U2, The Black Keys en Danger Doom. Ook is hij het creatieve brein achter Gnarls Barkley, dat een wereldhit scoorde met het nummer Crazy. Dat nummer stond op het album St. Elsewhere. Voor dat album huurde de producer de Italiaanse componist Daniele Lupi in, om de arrangementen te doen. Op dit nieuwe album wordt die samenwerking voort gezet. Ze hebben er vijf jaar aan gewerkt, want tussendoor had Danger Mouse geen tijd om stil te zitten. Op Rome hoor je zijn liefde voor spaghetti westerns voorbij komen en de muziek van de Italiaanse componist Ennio Morricone, maar wie goed luistert hoort ook zeker de invloed van groepen als Pink Floyd en Air. Fraaie, zoete melodieën, lome beats, romantische sounds, dromerige koorzang en melancholische orkestpartijen. Leuk detail is ook dat het orkest en het koor van de originele Morricone-soundtrack The Good, the Bad and the Ugly mee spelen. Fraai zijn ook de bijdragen van vocalisten Jack White, ex-White Stripes en Norah Jones. White biedt op drie tracks zijn kenmerkende tegenwicht en zorgt voor wat meer dramatiek. Ook Jones zorgt voor de dromerige inbreng. Rome is een ambitieus album, waarop Danger Mouse zich opnieuw van een nieuwe kant laat zien. Het album luistert weg als de soundtrack van een niet bestaande film; een nieuwe western. Een album om heerlijk bij weg te dromen.
Met Narrow Stairs, het vorige album van Death Cab For Cutie, wisten ze het maar liefst tot de eerste plaats van de Billboard Top 200 te schoppen. Een ware prestatie voor deze Canadese band die per plaat succesvoller wordt. Dat zorgt ervoor dat de verwachtringen voor het nieuwe album erg hoog zijn. Codes & Keys is echter niet zomaar een herhalingsoefening van dat succes, de band is duidelijk verder gegroeid. Wat opvalt is dat de gitaar een steeds minder grote rol in de band speelt. De eerste single van de plkaat werd zelfs al vergeleken met het werk van de Britse Stone Roses. Het is dan ook opvallend dat de invloed van het album vooral Brian Eno’s Another Green World komt en dat verklaart meteen het veelvuldige gebruik van keyboards. Toch is Codes & Keys gelukkig wel een echte Death Cab plaat: melodieus, sfeervol en prachtig gearrangeerd.
Velen zien de jaren met Gillan en Glover als de echte Deep Purple en de latere jaren met Hughes en Coverdale als tweederangs. Laat staan die met Tommy Bolin. Zij vergeten dat de line-up met Gillan ook niet de originele was en toch een kans kreeg van het publiek. Bij beluistering van de Mk III en IV-platen blijken die prima voor elkaar te zijn maar anders dan die van Mk II. Logisch en maar goed ook; zo wordt ook duidelijk verteld in deze dvd/cd-combinatie. De dvd bestaat uit een documentaire en een concertgedeelte dat door de korte speelduur van zo’n half uur nooit compleet kan zijn. ‘Rises over Japan’ is echter het aanschouwen meer dan waard, al was het maar om live-materiaal met Bolin - ook al speelt hij op halve kracht - te zien. Het koppel Coverdale/Hughes is altijd een goede combinatie dus dat zit wel goed. Het gaat echter om de openhartige documentaire waarin Jon Lord en vooral Glenn Hughes een boekje opendoen over de II en IV line-ups van de band en vooral Hughes erg eerlijk is over zijn rol in de teloorgang van Deep Purple want ondanks de titel is dat het centrale thema. Drugsgebruik, een vermeende moord, niets lijkt het gezelschap bespaard te blijven. Prachtige documentaire en de laatste uitspraak van Lord bleek juist aangezien Paice, Lord en Coverdale elkaar later in Whitesnake zouden treffen. De bijgevoegde cd bevat materiaal van de eerder uitgebrachte Tokyo ‘75 en Long Beach ’76 concerten. Die hebben fans al in de kast maar alleen de dvd en zeker voor die zachte prijs is al de moeite meer dan waard!
Na tien jaar wachten is het dan eindelijk zo ver! De sublieme samenwerking tussen Def P en The Beatbusters krijgt eindelijk een vervolg. Na het uitstekende album Aangenaam uit 2001, steken de busters de handen weer ineen om ervoor te zorgen dat Nederland weer kan genieten van vrolijke Nederlandstalige Ska/ Reggae. Inclusief de vlijmscherpe en hilarische teksten van Pascal Griffioen, a.k.a. Def P. Het album ademt één brok nostalgie uit naar de beste jaren van Doe Maar. De kracht van deze band zit net als hun voorbeelden in de bijzonder genietbare en pure teksten over alledaagse onderwerpen, zoals de financiële crisis en het bekritiseren van het individu op deze wereld. Dit alles onder begeleiding van uitstekende instrumentale ritme- en blazerarrangementen. De plaat begint met een introductie van Hard Op Weg en geeft dan meteen plankgas. Wat volgt is een serie hoogtepunten, zoals Beter Dan Dit, Vandaag, In Deze Wereld, Kijken naar Rijken en natuurlijk de eerste single Crisis. Het nummer Geen Kind kende we alleen als live versie, maar is nu gelukkig ook als studioversie verschenen. Laat de zomer maar komen! Een top album!
Dels is de jonge Britse rapper Kieren Dickins. Hij komt uit Ipswich en maakt zijn debuut.
Hij laat zich ondersteunen door drie producers, en het zorgt ervoor, dat dit album gevarieerd klinkt.
Joe Goddard van Hot Chip voegt een heel scala aan geluiden toe en de tracks die door Micachu werden
geproduceerd klinken afgemeten.
Dels is kritisch over Engeland, vooral over de periode van het laatste jaar.
Een verdienstelijk debuut.
Het is me een volstrekt raadsel waarom Brett Dennen nog niet net zo bekend is als bijvoorbeeld Jack Johnson en Jason Mraz. Op zijn vierde album lijkt het opnieuw alsof het hem geen enkele moeite kost om onweerstaanbare zomerse melodieën uit zijn mouw te schudden, terwijl zijn afwisselende liedjes helemaal niet zo simpel in elkaar zitten als het eerste gehoor misschien doet vermoeden. Als Brett Dennen zich zo blijft ontwikkelen als op deze heerlijke plaat, komt de publieke erkenning vanzelf nog wel!
Laat je vooral niet misleiden door deze naam en titel. Want met death-metal heeft dit plaatje hoegenaamd niets uitstaan. Misleidend dus, maar dat past eigenlijk wel bij Dan Bejar, de eigenzinnige Canadees die schuilgaat achter Destroyer. Met Kaputt is Bejar, die we ook kennen van The New Pornographers en Swan Lake, alweer toe aan album nummer negen. Destroyer’s meest toegankelijke tot op heden. We krijgen ditmaal een radiovriendelijke combinatie voorgeschoteld van softrock en smooth jazz. Opgeleukt met dromerige saxofoonsolo’s en zoete synths. Ontzettend eighties ook. Denk aan Style Council, Sade en Roxy Music ten tijde van Avalon. Het lieflijke stemgeluid van zangers Sibel Trasher sluit daar mooi op aan. Kaputt kenmerkt zich door een weids geluid en prettig laidback gevoel. En aan Bejar’s teksten kunnen we, zoals gewoonlijk, geen touw vastknopen. Dat weet hij zelf ook: ‘I write poetry for myself’, horen we op Blue Eyes.
Dudettes is een jonge formatie uit Groningen. Bestaande uit zangeres Zjoly, drumster Ingrid en gitariste Cynthia, wordt de band live ondersteund door een bassist en tweede gitarist. Maar deze rockchicks willen nog twee vrouwen erbij. Ondertussen is er nu een eerste ep, geproduceerd door Erwin Musper in Cincinnati in de Verenigde Staten. Musper is bekend van Anouk, Normaal en Van Halen. Hij gaf Dudettes een lekker vet rockgeluid mee, en de band klinkt door de zang van Onrust, die een soulvolle stem heeft, als een minder funky zusje van Mother's Finest. Aanstormend Nederlands talent. Nieuwe sensatie?
Blake Sennett, ooit het maatje van Jenny Lewis in Rilo Kiley, maakte onder de naam The
Elected twee albums met heerlijke zachtaardige pop.
Vijf jaar na het tweede album Sun Sun Sun ligt dan eindelijk de opvolger in der winkel, Bury Me In My Rings.
De songs van Bury Me In My Rings zijn wederom prachtig en kunnen zich meten met de beste momenten van Sennett’s eerste plaat Me First.
OK, Bury Me In My Rings klinkt zo hier en daar wel erg gladjes.
Maar Sennett’s perfecte ‘hooks’ en melodieën redden hem ook nu weer.
Op een bankje in een parkje in Hoboken zitten ze alsof er niets is veranderd sinds 1980 toen ze begonnen als jong bandje en gespot werden door het eigenzinnige Britse label Stiff dat op dat moment hits begon te scoren met Madness en Ian Dury. De eerste single van The Feelies werd geen instant succes, maar hun album werd door de critici met veel lof ontvangen. Het razende tempo, de Velvet Underground-achtige structuren en het studentikoze uiterlijk van Glenn Mercer en Bill Million, maakte hen uiteindelijk legendarisch. Nu, zo'n slordige twintig jaar na hun laatste groepsalbum, pakken ze de draad weer op met Home Before. De riffs, de beats, het strakke tempo en de soli zijn onveranderd gebleven en ook de groepschemie is onaangetast. Je kunt ook niet verwachten dat ze ineens een compleet andere weg in slaan. Never change a winning formula! Dit is nog steeds mijn favoriete bandje en ik draai de plaat als het moet helemaal stuk. Lang leve The Feelies!
Van dj tot serieus popmuzikant, zie hier de geschiedenis van Fin Greenall, alias Fink. De geboren Cornwaller, met een typisch Engels stemgeluid, brengt met Perfect Darkness zijn vierde album uit. De logische opvolger van Sort Of Revolution (2009), hoewel dit album beter in elkaar steekt en meer doet denken aan zijn geniale debuut: Biscuits For Breakfast uit 2006. Perfect Darkness bevat weer een paar pareltjes, zoals het titelnummer en het gevoelig gezongen Yesterday Was Hard On All Of Us. Met redelijk simpele gitaarbegeleiding weet Fink zijn melancholische stem naar een hoogtepunt te stuwen. Perfect Darkness is redelijk clean opgenomen, in tegenstelling tot zijn concerten die in dubecho’s wegwaaien. De komende zomermaanden zal Fink de Nederlandse podia aan gaan doen, mis hem niet en laaf je ondertussen aan dit prachtige vierde album!
Hij heeft een prachtige stem. Net als z’n vader. Hij kan mooie liedjes schrijven ook net als z’n vader. Toch verschilt hun denkwijze enorm over hoe een liedje moet klinken. Waar vader Neil (Split Enz, Crowded House) het veelal in de perfectie zoekt, wijkt Liam juist uit naar een ruwere aanpak van songschrijven. En die rudimentaire benaderwijze wordt bij z’n tweede album FOMO (staat voor ‘Fear Of Missing Out’) alleen maar erger. Zo heeft hij elektronica een nog grotere rol gegeven in zijn composities. Het is even wennen, maar het komt de gelaagdheid uiteindelijk wel ten goede.
Trouwens; waar zijn debuut I’ll Be Lightning compleet door henzelf gemaakt werd, heeft hij dit keer de hulp ingeschakeld van gitarist, songschrijver en co-producer Burke Reid. Reid zorgde er volgens Finn voor dat de nummers moeilijker tot stand kwamen (‘I wanted someone who pushed me to perfect something different’). Dat maakt het eindresultaat alleen nog maar interessanter.
Al sinds hun oprichting in 1976 houden The Fleshtones uit Queens, NY de traditie van de authentiek garage rock uit de jaren 60 levend. Op hun nieuwe album werken de heren samen met Lenny Kaye, die behalve als gitarist van Patti Smith ook bekendheid geniet als samensteller van de originele Nuggets-compilatie. Een kenner dus. Het resultaat is een vuige combinatie van twaalf eigen nummers en covers waar de vonken vanaf springen.
Het is alweer een tijdje geleden sinds Franz Ferdinands laatste album Tonite uit 2009. Nu er eindelijk nieuw werk is verschenen in de vorm van de vijf liedjes van Covers E.P. staat daar maar één liedje op waar de Schotse jongens zelf ook op meespelen. Zoals de naam al zegt staan er covers op deze EP. Andere artiesten, waaronder Peaches en LCD Soundsystem, coveren liedjes van het derde Franz Ferdinand-album. Die pakken in de meeste gevallen erg mooi uit en vooral de manier waarop LCD Soundsystem Live Alone onder handen heeft genomen bevalt. Een leuk tussendoortje dus, maar ik hoop toch snel op nieuw werk van Franz Ferdinand zelf.
Friendly Fires maakt opzwepende en zeer dansbare elektrorock. Van het soort waar zelfs het grootste chagrijn nog een gelukzalig gevoel aan overhoudt. De drie Britse twintigers brachten in 2008 hun titelloze debuut uit, dat vooral in eigen land aardig scoorde. Opvolger Pala levert wellicht een definitieve doorbraak op. Want wat klinkt deze plaat onweerstaanbaar catchy. De eighties klinken door, vooral via de harmonieuze samenzang à la Hall & Oates en Duran Duran. Nummers als Hurting en Live Those Days Tonight, de eerste single, laten je achter met een gevoel dat alles mogelijk is.
Dat Fucked Up een van de weinige bands is die het punkgenre tegenwoordig nog naar een hoger plan weet te tillen, wisten we al na een indrukwekkende discografie van letterlijk tientallen singles, EP’s en albums. Na tien jaar heeft de band naar eigen zeggen eindelijk de plaat gemaakt die ze al die tijd voor ogen hadden en op David Comes To Life komen inderdaad veel hoogtepunten uit hun indrukwekkende oeuvre samen. Het rauwe punkbloed dat door de aderen van de Candezen stroomt, de steeds weer adembenemende hang naar bombast en dit keer verrassend genoeg een inslag die aan pop doet denken. Geen grote koerswijziging maar een subtiele intelligentie die in elk van de 18 nummers zorgt voor een onweerstaanbaar gevoel van spanning, energie en levendigheid. Een verademing voor de punkliefhebbers, maar ook zeker een onmisbare plaat voor de avontuurlijke popfan.
Die vaak dansbare, licht-funky indierock van weleer begint meer en meer plaats te maken voor een radiovriendelijker popsound (waar even voor de duidelijkheid helemaal niets mis mee is, wij gunnen Gomez wel weer eens een hitje, zoals ze met opener Options proberen) een constatering die wij deden bij voorganger A New Tide, die zijn titel dus alle eer aandeed maar nog wel wat van de bekende rauwe randjes bevatte. Zo ook op WOYM, de zevende groepsplaat na diverse solo-uitstapjes, wat wil je met drie zangers en vier songwriters. Sterke punt is dat ondanks hun altijd brede scala aan stijlen er toch een bepaalde Gomez-sound is en blijft dus, iets met elektronica en toch (vaak) acoustisch, waarbij de Elbow-achtige arrangementen een extraatje zijn die het over het geheel genomen toch weer sterke materiaal alleen maar onderstrepen. Tot hier, wij nemen de titel in acht!
Harold K is het best bewaarde geheim van Nederland. Een singer-songwriter die, net als Spinvis, in onze eigen taal een unieke, ritselend mysterieuze wereld oproept. De ene na de andere regel is hier van goud. De muzikale setting is beheerst, folky en af en toe een klein beetje vreemd met een vleugje psychedelica zoals in de titelsong. Het liedje Monkie, gezongen met Pien Feith, bezingt een drankprobleem zoals niet eerder gedaan. Met tussenpozen is 5 jaar aan dit plaatje gewerkt. Gun het tenminste 38 minuten van je kostbare tijd.
Na zijn stevige uitje met Relentless7 neemt Ben Harper weer gas terug op dit album. Niet dat de plaat een en al rust uitademt, want de veelal door zijn scheiding van actrice Laura Dern geïnspireerde songs komen met het nodige venijn uit de hoek, getuige een nummer als Clearly Severely. Ook de single Rock ’n Roll Is Free, geschreven nadat hij Neil Young een zeer energieke versie van Rockin’ In The Free World had zien doen, is een prettig stevige pot gitaarrock. In Feel Love en I Will Not Be Broken gaat het er echter rustiger aan toe, maar ook in de ballads Harper laat horen nog in de liefde te geloven en strijdvaardiger te zijn dan ooit. Zeer opmerkelijk zijn Spilling Faith en Get There From Here, waarvan met name de eerste hoorbaar samen is geschreven met Ringo Starr, die ook meedrumt, waardoor Harper poppier dan ooit klinkt. Een album dat moeiteloos meedraait op het hoge nivo van Ben Harper’s oeuvre.
Vorig jaar tamelijk onopvallend uitgebracht, dit prachtige derde album van Husky Rescue, nu gelukkig in de herkansing met extra dvd en een cd met akoestische bonusnummers. Voor wie deze Finse band nog niet kent: Husky Rescue maakt prachtige elektronische muziek met lichte folkinvloeden en een hoofdrol voor de mooie, meisjesachtige stem van Reeta-Leena Korhola, waarbij de eerste cd van Goldfrapp als referentie kan dienen. Atmosferisch, maar met echte liedjes. De eerste twee platen, Country Falls (2005) en Ghost Is Not Real (2007) zijn ook erg goed, maar Ship Of Light is wat mij betreft een voorlopig hoogtepunt. De bijgeleverde dvd bevat live-opnamen in fraai zwart-wit, een paar clips en wat andere extra’s.
Een van de muzikale verrassingen van vorig jaar was On Claws van het Utrechtse I Am Oak.
On Claws klonk verstild, intiem, soms ontroerend.
Thijs Kuijken, de man achter I Am Oak, zet deze sfeer door op zijn nieuwe album met de mooie titel Oasem. Kuijken nam het album thuis in Utrecht op en Oasem klinkt zo mogelijk nog minimaler dan On Claws.
Het album bevat mooie bijna hypnotiserende songs als I, Ocyaan en Ancient. Dit zijn songs waarin je de stilte terughoort.
Thijs houdt het geluid van Oasem zo minimaal dat kleine dingen zoals de wonderschone vocalen van Aino Vehmasto in Distances II je opvallen. Oasem is van een zeldzame schoonheid.
Idiot Glee is James Friley, een jonge mormoon uit Kentucky, die bijna helemaal in zijn eentje deze langspeler heeft gemaakt. Paddywhack is een bijzonder origineel plaatje met gevoel voor retro. Er staan 12 liedjes op die bestaan uit een mysterieuze mix van doo wop, orgeltjes en percussie. Friley zingt zijn liedjes met een bijna verveelde nonchalance, zalig traag en met een prachtstem. Dit wordt gemakkelijk de soundtrack van de zomer 2011. Draai dit op warme zomerse namiddagen en je zult door al je medeluisteraars bewonderd worden om je originaliteit en haarfijne gevoel voor sfeer!
Wat een mooie nummers en wat een mooie zang. Lara Chedraoui zingt net zo mooi als haar naam klinkt. Zij, Brendan Corbey, Maarten Huygens en Raf De Mey maken indie poprock met klasse, muziek die zich misschien laat omschrijven als een achternichtje van Coldplay. Delay is al een hit in thuisland België en net als Drive is het een perfecte snelweg tune. De laatste hand werd gelegd in de Abbey Road studios, maar dat kan niet de enige reden zijn dat dit album barst van de toegankelijke en originele nummers.
Het Londense gezelschap Is Tropical bestaat nog niet zo lang. Vorig jaar werd een tweetal singles onmiddelijk een hit in de underground en dan is nu het volwaardige debuut daar. Het twaalf nummers tellende album bevat zowel aanstekelijke popliedjes alsmede dromerige soundscapes en dansvloervullers.
De meeste songs zijn redelijk simpel van opzet. Vette discodrums en vooral veel electronica zijn de ingrediënten van Is Tropical die alles zelf hebben gedaan in de studio samen met producer Jimmy Robertson.
Nu al superhip in de Londense clubs, maar dit groepje zou best eens kunnen uitgroeien tot een act van wereldformaat. Er werd reeds opgetreden met Klaxons en The Big Pink dus wellicht is het een kwestie van tijd dat je niet meer om Is Tropical heen kan.
In ieder geval kunnen de voetjes van de vloer als deze jongens live gaan spelen, om te ontaarden in een dansfeest voorzien van een enorme lichtshow met veel stroboscopen.
In 2010 toerde Joe met zijn trio (oudgedienden Graham Maby op bass en Dave Houghton op drums) door Europa. Jackson speelt al jaren een mix van oude (en wat nieuwere) nummers en het gekke is: ze vervelen nooit! De man die eind jaren zeventig omarmd werd door zowel punks als hippies heeft nog steeds een dijk van een stem! Twee opvallende covers staan er op Live Music: Inbetweenies (Ian Dury) en Girl (Beatles).
Genoemd naar een hoofdpersoon uit sciencefiction-film Logan's Run, ontstaat Jessica 6
in 2008. Bassist Andrew Raposo en toetsenist Morgan Wiley spelen al tijden samen, als
zangeres Nomi Ruiz zich meldt met een laptop vol ideeën. Ze luisteren graag naar elkaars
muziek, als ze in Hercules And Love Affair zitten en beseffen dat het klikt.
Hun muziek heeft invloeden uit R&B, nu-disco en hiphop. Het komt door hun
achtergronden. Dansbaar debuut, met diepgang.
Wat doe je als je een paar ton kunt verdienen met een geniale creatie uit de jaren negentig? Je maakt er een musical van. Ik zie Romein nog zenuwachtig praten in een interview enkele weken voordat de musical een aanvang zou gaan nemen en zeggen: We hebben nog geen letter op papier staan! Debiteuren Crediteuren was de gouden vondst (en hit) van Jiskefet en trok bij elke nieuwe aflevering meer kijkers. Melige kantoorhumor, geniaal neergezet! Zoiets is bijna niet te overtreffen en dat doet de musical dan ook niet. Wel weer goede grappen natuurlijk en een meesterlijke nieuwe aflevering van Tampert, maar vooral de liedjes neigen naar zappen, hoewel er in een musical natuurlijk gezongen dient te worden! Verwacht dus geen wereldschokkende nieuwe invallen, maar meer een Jiskefet back to the old days: soms vervreemdend mooi, dan weer hopeloos de plank misgeslagen.
Hij klinkt als Mick Jagger maar dan een stuk jonger en hij komt gewoon uit Baarn. Meteen al in de titelsong, het eerste nummer van de plaat, zijn de overeenkomsten werkelijk frappant. Toch klinkt De Jongh kakelfris en kan de Stones-achtige bluesrock van zijn band Crazy Hearts prima doorgaan voor eigen, oorspronkelijk materiaal. Omdat More Than Words de drive heeft van het echte moeten. De Jongh heeft al prachtige complimenten gekregen in de VS en het moet gezegd: hij klinkt perfect, het is bijna niet te geloven dat deze muziek uit het Gooi komt. De song Everybody bevat een bak gospel die buiten de Bijlmer nergens eerder in Nederland werd gehoord. Op More Than Words staan kortom prima in het gehoor liggende en krachtig opgenomen tracks van een zanger en een band met veel soul in hun donder. Verwacht geen gejam of ander geklooi, maar pure liedjes.
If you’re travelin’ in the north country fair… haakten wij in bij de eerste tonen en dat bleek niet eens zo héél ver van, althans het muzikale, referentiekader van Kant te liggen, en buiten die rootsgerelateerde klanken, doemen Waits, Beefheart of in eigen land Krang en dus Manuel op. Die laatste twee ook vooral omdat Kant ook nog opmerkelijk originele teksten maakt in zijn moerstaal, net zoals ook een Spinvis of Lucky Fonz III een geheel eigen herkenbare half serieus/ half kolderieke stijl hebben gecreëerd gaat Jeroen ook die Kant op, als hij die riem één gaatje aantrekt zodat die paar kleine alledaagse schetsmatigheden bij een volgende plaat tot de verleden tijd behoren, maar hé, dat was de kniesoor in ons. De symboliek op de voorkant van de hoes spreekt meer boekdelen: Kant als Icarus en achterop de totstandkoming hiervan toont pas echt zijn zeer te prijzen zelfspot. Kant én wal, concluderen wij, want goud én op je bek binnen drie kwartier is gewoon dik overtuigend. Zo, en nu een treetje halve liters!
In thuisland Engeland is ze al eens de Lily Alen van de dansvloer genoemd. Een beetje ver gezocht, want daarvoor doet Katy B toch teveel haar eigen ding. Wel bezitten beide dames hetzelfde streetwise stemgeluid. Zowel stoer als schattig. Muzikaal laat Katy B, net als Adele en Amy Winehouse afkomstig van de befaamde BRIT muziekschool, verschillende stijlen knap in elkaar overvloeien. Dubstep vormt meestal de basis, met daaraan toegevoegd UK garage, r&b, flarden rave en net zo gemakkelijk commerciële eurodance. Sommige nummers zijn strakke dancetracks. Anderen bevatten juist iets dromerigs en doen het beter in huiselijke kring. In de Engelse charts scoorde Katy B (voluit Kathleen Brien) al klappers met Katy On A Mission en Lights On, waarop ook Ms. Dynamite meedoet. Daarnaast verleenden de dubsteppers van Magnetic Man hun medewerking aan dit veelzijdige en verrassende debuut van het pas 22-jarige talent.
Het derde album van Katy Lied. Opgericht rond 2008 door gitarist en songschrijver Duncan
Hamilton en drummer Paul Burgess, kenmerkt de Britse band zich door ambachtelijke nummers.
Zangeres Katie Harnett kwam erbij en bassist Jo Wadeson, bekend van
Waterboys en Beth Orton. Harnett heeft een sterke stem, die in de zacht swingende pop-
nummers en de ballades overeind blijft. Nigel Stonier is verantwoordelijk voor de productie,
rijk gevuld met strijkers en prachtige koortjes. De band is zowel pop als folk, country
als rock en zit tussen Steely Dan en Graham Parker in.
Voor liefhebbers van mooi gearrangeerde en uitgevoerde muziek.
In 2008 was daar ineens het album Sunday Best, dat klonk als het werk van een doorgewinterde jaren 50 act, maar gemaakt bleek door twee Britse zusjes en hun broertje die hun tienerjaren amper ontgroeid waren. Kitty, Daisy en Lewis Durham stammen dan ook uit een muzikaal gezin en kregen hun portie blues, jazz, R&B, swing, ska en rock ‘n’ roll letterlijk met de paplepel ingegoten. Inmiddels treden ze wereldwijd op voor uitverkochte zalen en mogen ze naar verluidt Dustin Hoffman, Ewan McGregor en Amy Winehouse tot hun fans rekenen. Op hun tweede album gaan Kitty, Daisy & Lewis zelfverzekerd voort op de ingeslagen weg. Dat betekent dat Smoking In Heaven opnieuw een lekkere potpourri is van ska (het swingende openingsnummer Tomorrow en I’m So Sorry), swing (Will I Ever), R&B (Don’t Make A Fool Out Of Me en zelfs disco (Messing With My Life). Een heel fijn zomerplaatje.
Meer verschillende stijlen en een breder geluid. Dat zou de conclusie kunnen zijn wanneer luisteraars geconfronteerd worden met Tim Knols tweede volwaardige album Days. Het sympathieke talent uit Hoorn blijkt ook na het, ongeveer op alle straathoeken bewierookte debuut, nog immer een groot talent voor de Nederlandse popmuziek te zijn. Oef, wat staan er weer pareltjes op het nieuwe album Days. Echter; mag ik hierbij even een lans breken voor muzikant, liedjesschrijver, annex producent Matthijs van Duijvenbode? Wees niet bang; zonder hem zou Knol zeker nog steeds een talent zijn. Maar Van Duijvenbode (door Knol steevast Duijff genoemd) lijkt de rootsrock van Days in ieder geval een wezenlijke meerwaarde mee te geven. Daar waar hij op het debuut nog maar bij een paar nummers betrokken is, presenteert Duijff zich bij Days als schrijvende partner in crime. Big Star? Neil Young? Eagles? Beatles? Queen? Echt, je hoort het allemaal terug. Meer stijlen dus. En de introductie van een breder geluid. Het maakt Days tot een prachtplaat.
De grootste superster van het moment? Aandacht trekken kan ze als geen ander, maar vergis je niet: Lady Gaga is zeer muzikaal, kan uitstekend zingen en piano spelen en schrijft songs met kop en staart waarmee ze de concurrentie moeiteloos op achterstand zet. Op haar nieuwe album zijn de Madonna referenties haast duidelijker dan ooit getuige het titelnummer en de nieuwe single Judas, maar dat zal de fans niet deren. En het album zal terecht weer de nodige hits opleveren.
Bij Pokey’s vorige vijfsterrenplaat en veelzeggend getitelde Riverboat Soul hadden wij gedacht dat de striptekenaar Robert Crumb, absolute autoriteit op het gebied waarbinnen dit waarlijk authentieker dan authentieke kwartet dat vanuit St. Louis, Missouri opereert, het artwork voor zijn rekening zou nemen, en nog wel op eigen initiatief ook, wat al decennialang een kwaliteitskeurmerk is. Laten we het er maar op houden dat Riverboat Soul Crumb nog niet bereikt heeft in Frankrijk. Terzake! Maar liever nog hadden wij Pokey’s enthousiasmerende voorwoord integraal vertaald. Daaruit blijkt hoe geografisch bepaald muziekliefde kan zijn en hoe dit bij wijze van roeping door te geven. Zoals Ry Cooder en, meer nog eigenlijk, Leon Redbone (vroeger) altijd als muzikaal etnoloog werden gezien door dat ‘oude Amerika’ op te delven en muzikaal te vertalen naar het heden van toen, zo maakt (de trouwens fan-ta-stisch genaamde) Pokey Lafarge met zijn eveneens zeer virtuoze (dat deze stijl gewoonweg vereist) begeleiders een bepaalde Western Swing, waarbinnen jazz, country en blues altesaam als een soort ragtime de overhand voeren ter invulling van de overigens alle dertien zelfgeschreven hits in spe uit de eerste helft van de vorige eeuw. Zogenaamd!
Let's Wrestle debuteerde twee jaar geleden met een slordig, charmant album.
Het zette het Londense trio op de kaart. Voorman Wesley Patrick Gonzalez,
met gitaarspel en zang verantwoordelijk voor de meeste nummers, werd een veel
genoemd talent. Voor het tweede album ging het naar Amerika. Steve Albini produceerde
en gaf de band de broodnodige rafelrand. De nummers gaan over Pokemon en
nymfomanen. Bubbelgum ontmoet rammelige punkpop.
Vaak luisteren en genieten.
Na de Amsterdamse hogeschool en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag werd Mijke Loeven director van Jazz International Rotterdam. In de jaren negentig richtte ze de Mijke Loeven Band op die twee cd's maakte. Rond 2000 had haar eerste soloplaat uit moeten komen, maar uiteindelijk heeft het door allerlei omstandigheden ruim tien jaar geduurd. Opvallend genoeg heeft ze voor Nederlandstalige liedjes gekozen. Songs over de liefde, het platteland en veertig worden. Muzikaal zijn jazz, pop en een vleugje country de belangrijkste elementen. Makkelijk in het gehoor liggend en met aansprekende eenvoudige teksten. 'De wind danst een dansje met een krant, de trein reist naar zijn achterland, jij en ik zijn twee en open is de naam van het cafe' (Stof Waait Op). Mijke Loeven zingt ze met een schijnbaar gemak. Plaatje voor in de trein naar huis.
Onder de naam London Elektricity is Tony Coleman al jaren een toonaangevende naam binnen het drum ‘n’ bass-wereldje. De laatste tijd stak deze dj-producer veel energie in zijn eigen Hospital-label, vandaar dat het laatste album alweer dateerde uit 2008. Op Yikes! blijkt Coleman weer aardig op dreef. Hij kiest ditmaal voor een ambient-achtig sfeertje. De stem van de Zweedse zangeres Elsa Esmeralda vormt een mooie aanvulling.
De Britse soul- en funkgroep Mama’s Gun kreeg vorig jaar ook in ons land bekendheid dankzij het radiohitje You Are The Music. Hun rijk georkestreerde retrosound krijgt nu een vervolg. De koers wordt ditmaal niet bepaald door de (Motown)-soul uit de jaren 60, maar groovy jaren 70-funk. En waar het debuutalbum soms een tikje gelikt overkwam, klinkt deze plaat al een stuk volwassener.
Deze dvd is de registratie van de cabaretvoorstelling die Manuel tot vorig jaar speelde. Als vanouds gaat Manuel te keer over alle religies, politiek en iedereen die op zijn pad komt. Helemaal als vanouds is het niet... Net als in de voorgaande show, Burger, is er geen plaats meer voor zijn liedjes. Muzikaal gezien is dat jammer maar het houdt wel beter de spanningsboog van de voorstelling vast. Manuel vertelt deze voorstelling vanuit het perspectief van een persconferentie waarin hij meedeelt eindelijk met de dood te zijn bedreigd. Manuel bewijst wederom 1 van Nederlands meest onderschatte cabaretiers te zijn.
Meneer Matthew ziet eruit als Raspoetin, klinkt als Elvis Costello en heeft qua tekstschrijven goed afgekeken bij Morrissey . Op deze derde cd staan 11 serieuze, zachtaardige, melancholische liedjes met als enige frivoliteit de achtergrondkoortjes . Het geluid van de muziek wordt bepaald door klassieke instrumenten als strijkers, piano, ukelele en gitaar . Net als het artwork is de productie zeer goed verzorgd. Laat je echter niet misleiden door de naam van de producer, Mike Skinner, is namelijk niet van The Streets.
Lauren Doss barst van het talent. Dat hoor je snel als je haar album Living With Ants oppervlakkig beluistert. Maar als je echt goed luistert hoor je pas goed hoe mooi de plaat in elkaar zit.
Om te beginnen zijn de songs prachtig aangekleed met strijkers en blazers en klinken de piano-arrangementen indrukwekkend. Lauren houdt vocaal de touwtje in handen en zij klinkt even indrukwekkend in een ingetogen song zoals Magpie als in het gejaagde Demons.
Living With Ants is het eerste volledige album van Britse muzikante. Dit is het werk van een groot talent. Laten we Lauren goed in de gaten houden.
ADHD-electro. Zo zou ik de stuiterende, ketsende, botsende, beukende, immer uptempo dancenummers van MeloManics graag willen betitelen. Na diverse ep’s en een debuutalbum The Grey Light uit 2007 heeft menigeen die stijl vast al ergens kunnen verkennen. Een stijl overigens, die vooral live goed tot z’n recht komt. Het is een snufje Soulwax, een beetje Kraftwerk, een partje eightiesfunk, een brokje ‘electro-on-speed’. Allemaal erg lekker, erg dansbaar en erg vrolijk, al is het anno 2011 misschien iets lichtvoetiger van toonaard dan tijdens het debuut.
Toch kan ik ook na beluisteren van deze plaat niet wachten alvorens ik ze weer eens ergens live mag gaan aanschouwen. Zie je deze band, dan zal er, als vanzelf, een feestje ontstaan. De combi beats en gitarenmuren blijkt voor MeloManics op hun nieuwe album in ieder geval wederom te werken. Nu nog hopen op een welverdiende clubtour. Geen zorgen daarover: daar zal MeloManisM vast voor gaan zorgen.
Krijsende zeemeeuwen boven het geruis van de zee. Zo begint deze plaat. Logisch eigenlijk met The English Riviera als titel. Een album dat zich kenmerkt door een loom zondagmiddaggevoel. Prima te beluisteren vanuit de strandstoel. Daarmee is ook gelijk het opvallendste verschil met Metronomy’s twee voorgaande platen verklaard. De sound van deze Engelse elektroformatie, met als middelpunt Joseph Mount, werd voorheen gedomineerd door (stevige) elektrobeats. Hun nieuwste is veel meer een popalbum geworden. Slome gitaren en wiegende synths zorgen voor een relaxt sfeertje. Waarbij de instrumentale partijen, net als op de voorgangers, ruim baan krijgen.
I Want That You Are Always Happy is een album als een oester. De luisteraar moet hard werken om de parels die in de schelp verscholen zitten te vinden.
Want dat is duidelijk: de parels zijn er volop.
Het album start somber en ingetogen met Black Death 1349 en My Grandmother was Pearl Hall. Door de vocalen, het tempo en het pianospel doet het laatste nummer denken aan het werk van Tom Waits ten tijde van Alice.
Pas in As I Go To See Janey en in Jesus Came To My Birthday Party schakelt de band over op wat rijkere instrumentatie en mooie harmonieën en horen we iets terug van wat het debuut The Recordings of The Middle East zo de moeite waard maakte. Met Land of the Bloody Unknown komt de zon pas echt te voorschijn.
I Want That You Are Always Happy biedt een afwisseling van introspectieve songs en up-tempo indie-folk- een afwisseling van het Birthday Party-achtige Mount Morgan en de niets-aan-de-hand pop van Dan’s Silverleaf. Alles lijkt bij elkaar te komen in het tien minuten durende ‘pièce de résistance’ Deep Water dat in zijn weidsheid herinneringen oproept aan het werk van de Triffids of Died Pretty.
De Australiërs staken werkelijk al hun creativiteit, vindingrijkheid en passie in het album dat overigens ruim een uur in beslag neemt. I Want That You Are Always Happy is geen toegankelijke plaat, maar fascinerend is het absoluut.
Mindpark is een nieuwe Nederlandse band. Gevormd door Ralph Timmermans, Jeroen
Coudron en Johan Reijnders, ontstaat de band in 2009 uit de resten van het lokale Sweet Assembler.
Twee Nederlanders en een Belg. Inmiddels opereren ze vanuit Den Bosch. Er wordt veel aandacht besteed aan nummers, dat is te horen. De nummers zijn goed uitgewerkt, invloeden uit progrock en indie op dit debuut. Er is lang naar uitgekeken, vooral toen Mindpark in Brabant steeds meer ging optreden, muziek bij optredens ging verkopen en bekender raakte. Het album is ontspannen, er is veel spanning en er wordt zelfverzekerd gemusiceerd. Het zijn hoorbaar perfectionisten. De dubbele zang van Timmermans, die ook produceerde, en van Coudron is aangenaam. Een beetje dromerig. Af en toe een beetje rustige dEUS, dan wat Genesis of Pink Floyd. Live is de band, door veel optredens, een belofte. We hebben er een veelbelovende Nederlandse groep bij. Veel draaien dit.
Wie een beetje bekend is met werk van Moore’s band Sonic Youth, zal compleet verrast worden bij beluistering van ‘s mans solo album. Hier niets van de punk, noise en no-wave waar we Sonic Youth van kennen. Demolished Thoughts is een zeer sobere plaat, waarbij Thurston’s zang slechts begeleid wordt door gitaar, harp, viool en lichte percussie. De productie is in handen van Thurston’s maatje Beck, wat wellicht de lichtvoetiger klank van het album verklaart, dat qua productie en arrangementen niet ver afstaat van Beck’s album Sea Change. Maar dit is absoluut geen slap aftreksel van dat laatste album, Nee, deze sfeervolle stukken van Moore zijn erg overtuigend, hij weet de luisteraar er al snel mee te winnen, niet in de laatste plaats doordat hij zijn instrument tot in de perfectie beheerst. Het onverwachte van deze muzikale zet van de oude New Yorkse punker is op zich natuurlijk ook wel weer erg punk.
Tweede album van het folkechtpaar Trevor Moss & Hannah Lou waarvan het titelloze debuut vorig jaar in beperkte kring al uitgesproken lovend werd besproken. Met het gedurfd getitelde Quality First, Last & Forever gaan ze vast meer aandacht genereren, want dit is een uiterst charmante plaat die door de manier waarop beider stemmen contrasteren aan Angus & Julia doet denken, maar die muzikaal en ook productioneel toch het meest geïnspireerd lijkt door de Britse folkbeweging van de laten jaren ’60. Zo roept het tweede nummer zelfs de lp van Sandy Denny & The Strawbs in herinnering. Het merendeel van de tien liedjes is kaal en akoestisch opgenomen, waardoor de stemmen van Trevor (ietwat nasaal) en Hannah-Lou (mooi en hoog) alle ruimte krijgen. Het klinkt allemaal heel eenvoudig, maar Quality First, Last & Forever biedt precies wat de titel beloofd en klinkt bovendien erg afwisselend, dankzij subtiel en incidenteel gebruik van wat meer instrumenten dan alleen gitaar. Wie blij wordt van, bijvoorbeeld, Angus & Julia Stone, The Swell Season en She & Him moet dit fijne plaatje zeker eens gaan beluisteren!
In de serie Roadwork verzameld Motorpsycho live-opnamen die ze zelf het meest interessants vinden om op cd te zetten. Als er genoeg liedjes aan hun strenge eisen voldoen brengen ze weer een volgend deel uit. Dit deel bevat opnamen die werden gemaakt tussen 2008 en 2010. Het werd inderdaad een stukje kwaliteit, want de sferische tracks houden gemakkelijk voor 80 minuten de spanning hoog. De oorsprong van de nummers echter stammen uit verschillende periodes, van de toen recente albums Little Lucid Moment en Heavy Metal Fruit tot Landslide van Phanerothyme uit 2001.
Noem het pop met een ruw, rafelig randje. Noem het punk light of noem het indierock. De Utrechtse band Mr. Love And The Stallions laat op hun derde album Playgrounds in ieder geval horen van veel muzikale markten thuis te zijn. Opener Playground bijvoorbeeld doet sterk denken aan Buffalo Tom. Het lichtvoetige, vrolijke Radio 4 AM refereert aan Amerikaanse pretpunk, het hoekige Lucky Man lijkt op eightiespop en Walk In The Park is zo’n typisch Britpopliedje dat door Blur of Supergrass geschreven had kunnen worden. Wat alle nummers bindt? De stem van zanger/gitarist Bas van de Looy, gecombineerd met de ragfijne koortjes van de rest (gitarist Remco van de Looy, toetsenist Einar Ihle, bassist Max Faulkner en drummer Lou Swinkels) van de band. Toppers? Oceans en het enigszins radio-onvriendelijke, maar tegelijkertijd zeer meeslepende Make Love. Tof dat de band juist dit nummer verkoos tot hun eerste single. Eigenzinnig; zoals hun muziek.
Na de kortstondige reünie van Bauhaus pakt zanger Peter Murphy met Ninth zijn solocarrière weer op. En als Ninth iets duidelijk maakt is dat hij inmiddels vrede heeft met zijn muzikale verleden en niet meer krampachtig zijn best doet om nieuwe muzikale wegen te bewandelen. Hierdoor klinkt opener Velocity Bird onmiskenbaar als zijn grote voorbeeld David Bowie en hadden songs als Seesaw Sway en The Prince & Old Lady Shade niet misstaan op de latere Bauhaus albums. En dat is precies zoals de meeste fans hem willen horen.
“De beste band ooit”, twitterde Bethany Cosentino van Best Coast vorig jaar al over hun voorprogramma No Joy. Dat was wellicht wat overdreven, maar haar enthousiasme is volledig te begrijpen na het beluisteren van Ghost Blonde. Jasmine White uit Los Angeles en Laura Lloyd uit Montreal laten zich hoorbaar inspireren door My Bloody Valentine, Lush en Sonic Youth, maar creëren hiermee een geluid dat opvallend fris en origineel aandoet. De tien liedjes op Ghost Blonde verzuipen welhaast in de feedback, maar klinken tegelijkertijd ook melodieus en buitengewoon meeslepend. Er duiken de laatste tijd veel bands op die teruggrijpen op de shoegaze van de jaren ’90, maar zelden gebeurde dat zo overtuigend als op deze fantastische en zwaar verslavende plaat!
Hoewel het drietal zeer productief te noemen is, heeft deze studioplaat toch drie jaar op zich doen wachten. Gelukkig is het het wachten waard geweest, want met Keys To The Kingdom gaan de Allstars terug naar de basis. Al hebben ze het afgelopen decennium hun rauwe randje nooit verloren, doen ze nu zonder het dunne laagje chroom voor het eerst weer echt denken aan hun voortreffelijke debuut Shake Hands With Shorty. Weliswaar met de jaren gerijpt, wat zich niet alleen doet uiten in het uitgebalanceerde geluid, maar ook in gewonnen respect. Op het album vertonen zich namelijk grote namen als Mavis Staples, Ry Cooder, Spooner Oldham en Alvin Youngblood Hart. Hun medewerking op tracks als The Meeting en Ain't No Grave geven Keys To The Kingdom nog een beetje extra smaak.
Summvs is het vijfde, gezamenlijke album van Noto (Duitse geluidsartiest) en Sakamoto (Japanse musicus, componist). Samen bouwen zij muziek, Sakamoto stapelt de noten en Noto cement het geheel aan elkaar tot een bijna tastbare sculptuur. Iedere klank is weloverwogen neergezet. Ambiënt minimalisme met een ongelofelijke diepgang. Net als bij voorgangers Vrioon, Insen, Revep en Utp kun je je helemaal laten onderdompelen in de muziek. Met Summvs als hekkensluiter vormen de opeenvolgende initialen van de albums het woord VIRUS, wat hoogstwaarschijnlijk betekend dat Summvs het laatste project is van deze twee meesters.
Relatief kort na het verschijnen van zijn prachtige CD Lumiere verschijnt alweer de opvolger: Vorleben. De titel verwijst naar het ‘vorig leven’: de studioversies van deze opnamen verschenen eerder op de ‘ Piano Solos’ cd’s op het Bella Union label. Dit recital werd in 2009 opgenomen in de Grunewald kerk in Berlijn. De opnamen zijn glashelder, de akoestiek en de bijgeluiden van de kerk verhogen hoorbaar de sfeer. Het publiek is muisstil, en terecht. O’Halloran speelt de licht-romantische composities met een fraaie dynamiek, maar zonder het rebelse anarchisme van bijvoorbeeld Nils Frahm (die hier overigens als opnametechnicus optreedt). Het album blijft daarom ook wat aan de ‘keurige’ kant, zonder scherpe randjes. Prima bij restaurant- en familiebezoek. En dat is in dit geval overigens bedoeld als aanbeveling!
Wie kent hem niet: de tune van Holland Sport... hier is Wilfried De Jong! Het nummertje blijkt Bombay Twist te heten. Tijdens de quiz Petje Op, Petje Af horen we uiteraard het eveneens instrumentale Hat's Off! De drie heren van Ocobar zijn verantwoordelijk voor deze groovy sounds en schamen zich geenszins voor fruitige showmuziek en onvervalste easy listening, zolang er maar een lekkere vette gitaar in mag tenminste. Het nummer Kamiki Bar is zelfs een onverbloemde ode aan ZZ Top! Maar eigenlijk houden ze meer van Duane Eddy, The Shadows en The Ventures of iemand als Billy Strange. Kunstfluiter Geert Chatrou is wederom te gast op All Aboard, een soort kruizing tussen Hot Club The France en Country & Western en Eric Vloeimans siert Siki Balia, een excursie in The Twilight Zone. Ideale muziek voor sportdocumentaires en andere audiovisuele trips. Watch That Sound!
Dat Litouwen een prachtig land is, ontdekte ik vorig jaar tijdens mijn vakantie. Dat er ook prachtige muziek gemaakt wordt, kan iedereen nu voor zichzelf horen op dit zeldzaam mooie tweede album van Alina Orlova. In eigen land een redelijk grote naam, daarbuiten volstrekt onbekend, enkele buurlanden daargelaten. Deze jonge en eigenzinnige singer/songwriter en pianiste, die zowel in het Litouws, Russisch als Engels zingt, geeft haar emoties ruim baan zonder te verzanden in grote gebaren en dat doet in een betoverende stijl die het geluid van een jonge Tori Amos of Kate Bush combineert met een fikse dosis Oost-Europees aandoend drama en cabaret. Veertien afwisselende en meeslepende liedjes telt deze zeer opvallende, originele en zeer sfeervolle plaat die het absoluut verdient om door heel veel mensen gehoord te worden!
Resultaat van een groep van vijf Londense muzikanten, die in het dorpje Owiny Sigoma
in Kenia muziek gingen maken met lokale muzikanten. Het gebeurde in 2009.
Toetsenist Jesse Hackett, bassist Louis Hackett, gitarist Sam Lewis, gitarist en bouzouki-speler Chris
Morhitis en drummer Tom Skinner ontmoetten Joseph Nyamungo en Charles Owoko.
De sessies gingen zo goed, dat er meteen vier nummers werden opgenomen. Deze nummers werden
gebruikt om Gilles Peterson te overtuigen ze bij zijn label onder te brengen.
De muzikanten besloten weer naar Kenia te gaan, voor meer muziek.
Het titelloze album, dat Londense funk en jazz vermengt met Keniaanse
Benga en Luo-folk, laat zich luisteren als een swingend geheel met traditionele en eigentijdse elementen.
Damon Albarn gaf het zijn zegen en verzorgde orgel-arrangementen op twee nummers.
Het album dateert van 2010, maar is nu pas goed verkrijgbaar. Let maar op, het gaat zorgen
voor een betere bekendheid van de Keniaanse muziekcultuur.
Planningtorock is het project van Janine Rostron, die vanuit Bolton, Engeland verhuisde naar Berlijn.
Inmiddels woont ze daar tien jaar.
Haar debuut maakte ze in 2006, nu dit tweede album.
Elektronisch en filmisch en met af en toe strijkers, die ze ook zelf speelt.
Rostron werkt liefst alleen, maar kreeg hulp van percussionist Hjorleifur Jonsson en
drummer Pat Mahoney. Ze nam alles op in haar studio in Berlijn en speelde alles zelf in.
Ze produceerde zelf.
Haar eigenzinnigheid zorgde voor voorprogramma's van Peaches en
LCD Soundsystem. Haar muziek is te vergelijken met deze bands, maar is eigen.
Wonderlijk en betoverend album.
The Prodigy, het geesteskind van frontman Liam Howlett, herinnert de wereld er weer even aan dat de danceformatie nog niets aan energie en dynamiek ingeboet heeft. De Britse dance-act krijgt nog altijd iedere zaal plat en blaast het dak van iedere festivaltent, waar het publiek danst tot ze er bij neervallen. Het hoogtepunt Fat Of The Land uit ´96/´97 ligt al weer een heel tijdje achter ons, maar met hun laatste werk Invaders Must Die keerden de experimentele en vooruitstrevende muzikanten definitief terug naar de roots van hun eigen muziek. Deze DVD toont bandleden Keith Flint, Liam Howlett, en Maxim op bijzonder persoonlijke wijze. De dynamische montage en Camera close-ups, long shots, and spiralling crane-shots are all interspersed with a flurry of lights and smoke to dizzying effect.camerastandpunten met close-ups, longshots, craneshots en fisheye perspectieven, afgewisseld met de nodige licht- en rookeffecten, zuigen je mee in een duizelingwekkende visuele trip.A peephole camera set up behind drummer Leo Crabtree shows a unique fish eye perspective of the band with the crowd in the background in numerous shots. De bandleden hebben met deze cinematische aspiraties duidelijk aan het thuispubliek gedacht, want door de kunstzinnige benadering lijkt het of je er zelf bij was. De DVD bestaat uit 2 gedeeltes. Eén schijfje bevat het concert op het Warriors Dance Festival met 17 tracks uit hun gehele oeuvre. Ook bestaat dit gedeelte uit concertbeelden van verschillende locaties, afgewisseld met zelfgemaakte docu filmpjes en commentaar van de band. Alles lekker fris en flitsend in beeld gebracht. Maar ook het oor wil wat, dus is er voor de cd-speler nog een tweede schijfje van het Warriors Dance festival toegevoegd. The Prodigy compleet in al zijn facetten.
Bedroom Community is een label dat niet veel materiaal uitbrengt, maar wat ze uitbrengen is zonder uitzondering van hoge kwaliteit. De albums van Sam Amidon verschijnen bijvoorbeeld op Bedroom Community. En het werk van de jonge Britse songschrijver Puzzle Muteson voldoet blijkbaar ook aan de hoge eisen van Bedroom Community.
Puzzle woont op het eiland Wight, maar hij reisde naar IJsland, de thuisbasis van het label, om daar samen met Valgeir Sigurðsson en Nico Muhly En Garde op te nemen.
En het album is een waar meesterwerk geworden.
Het zijn vooral de prachtige arrangementen van Muhly en Sigurðsson die En Garde zo bijzonder maken.
Die arrangementen versterken de het gitaarspel, de zang, persoonlijke teksten en introspectieve songs van Puzzle Muteson.
De sfeer van En Garde is overwegend introspectief en het kost wel een paar draaibeurten om echt tot de kern van het het album door te dringen.
En dan pas hoor je hoe razend knap een song als Medusa of het titelnummer in elkaar zit. En hoe persoonlijk en ontroerend de teksten van Puzzle zijn.
En Garde is kippenvelmuziek bij uitstek.
Met een combinatie van indierock en kamermuziek zit Ra Ra Riot in dezelfde hoek als Vampire Weekend. Ook die koppelen hun aanstekelijke melodieën aan eigenwijze arrangementen. De vier mannen en twee vrouwen van Ra Ra Riot debuteerden in 2008 verdienstelijk met The Rhumb Line. Deze opvolger biedt wederom lekker in het gehoor liggende liedjes. Met veel ruimte voor bas, cello en viool.
Rival Sons is een nieuwe band uit Californië, maar zet Pressure & Time op en het is alsof direct wordt teruggezogen naar de jaren zeventig van de vorige eeuw. Ten tijde van Led Zeppelin met name, want dat die band de voornaamste invloed van Rival Sons is, blijkt uit elke noot. Frontman Jay Buchanan is gezegend met een dijk van een stem, die geregeld klinkt als Robert Plant in zijn beste dagen. De heerlijk gierende gitaren worden gespeeld door Scott Holiday en het viertal wordt gecomplementeerd door Robin Everhart (bas) en Michael Miley (drums). Ook is er een grote rol voor producer Dave Cobb (Jamey Johnson, Secret Sisters), die ook met een groot aantal nummers meeschreef en zorgde voor de perfecte seventies feel.
Pressure & Time is niet het eerste dat de band uitbracht, zo was er het debuut Before The Fire (check hun MySpace pagina) en de titelloze ep van afgelopen januari. Toch geldt Pressure & Time als het startpunt en wat voor een. Met All Over The Road gaat Rival Sons meteen goed van start. Slechts een enkele keer wordt er gas teruggenomen, zoals in Only One en de afsluiter Face Of Light. Naast bluesrock bevat het groepsgeluid flink wat soul, rhythm & blues, mede door het gebruik van een Hammond orgel. Dit roept herinneringen aan The Doors en recenter Wolfmother op. Dit alles wordt met zoveel overtuiging gebracht dat het een kwestie van tijd is voordat Rival Sons een enorme fanbase hebben opgebouwd en de wereld aan hun voeten hebben liggen.
Jan Rot heeft zich de afgelopen tien jaar vooral toegelegd op het vertalen van klassieke liedteksten; Bach, Mozart en bovenal Schubert. Zijn popwortels is hij echter niet vergeten, en welbeschouwd zijn de teksten van Randy Newman die hij op zijn nieuwe cd ten gehore brengt minstens net zo ‘klassiek’. Ook hier geldt weer dat Rot lang niet altijd letterlijk vertaalt, maar even vaak hertaalt; zo wordt Rednecks nu Mooi Drenthe, maar opvallend vaak blijft Rot ditmaal het origineel trouw. Het gaat hem er echter altijd om een goed zingbare Nederlandse versie te creëren. Daarin is hij ook ditmaal geslaagd en zijn stem leent zich ook uitstekend voor dit repertoire.
Voor het derde album, komt het trio uit Knoxville in de V.S. met een energiek hoogtepunt.
Het trio, bestaande uit Ryan Schaefer, Chris Rusk en Sam Stratton, houdt in de nummers het tempo hoog.
Met een geluid, dat het midden houdt tussen glamrock, indie-pop, garagerock en electro-pop persen ze in ieder nummer
meerdere ideeën. Aanstekelijke koortjes zorgen voor een verhoogd plezier en er gebeurt veel.
Patrick Carney van Black Keys is fan en zorgde dat de band in 2008 bij zijn label Audio Eagle tekende.
Sindsdien gaat het geweldig, optredens op o.a. Lollapalooza en inmiddels zitten ze bij het kleine Glassnote label.
Vrolijke, stuiterende muziek.
Het lijkt soms of je naar niet eerder ontdekte outtakes van Syd Barrett zit te luisteren, maar nee we hebben het hier over de ster van het laatste London Calling festival. Geen Engelsman trouwens, maar een Amerikaan. Ty Segall uit San Francisco zet een ouderwetse garagesound neer en zingt Brits, als Barrett of Lennon. En hij brengt suikerzoete, pakkende melodieën. Segall is hyperactief, zoals Beck in zijn goede tijd en hij heeft ook wel iets van diens ironische en compromisloze stijl. Vermoedelijk loopt het interessante Goodbye Bread bij uitkomst alweer achter op de ontwikkeling van de maker, maar een talentje is dit wel zeg, nondeju.
Singing Adams is de band rondom zanger/gitarist Steven Adams uit Engeland en Everybody Friends Now is de tweede langspeler.
De band maakt prettig in het gehoor liggende pop-rock nummers met hier en daar een trompet of andere versiering.
Wat erg sterk is aan deze muziek is dat alle songs vreselijk pakkend en aanstekelijk zijn. Adams heeft een aangenaam stemgeluid en lijkt in de verte wat op Badly Drawn Boy.
In de teksten handelt het voornamelijk over hoe Steven heeft gefaald op het gebied van liefde en eerdere pogingen tot succes in de muziek. Ofwel, hoe een onhandige sympathieke ziel klungelt in het leven en daar heel mooi over zingt.
De New Yorkse Skeletons komen uit dezelfde scene die ons eerder Vampire Weekend en Yeasayer gaf. Net als hen weten zij jaren tachtig synth pop te combineren met ritmes uit alle hoeken van de New Yorkse smeltkroes, te lijf gegaan met een freejazz aanpak. Zeer experimenteel dus, en daardoor wellicht niet erg toegankelijk, maar wie even doorluistert hoort geen ongeorganiseerde bende, maar een strakke unit, die voor elke muzikale invloed open staat.
De Canadese band Sloan bestaat uit vier liedjesschrijvers, die in de klassieke pop/rock bezetting spelen. Ieder bandlid zingt zijn eigen composities, waardoor het album afwisselende zang kent en er een herkenbaar bandgeluid ontstaat.
Opener "Follow the Leader" is meteen al een schot in de roos, een energiek nummer met een pakkend refrein. "Shadow of Love" is een uptempo nummer dat je niet meer uit het hoofd krijgt, maar "She Slowing Down Again" is het beste nummer van de plaat, en dat alles met een heel
aangenaam geproduceerd studiogeluid.
Sloan houdt het nu al twintig jaar vol, en The Double Cross is dan ook hun tiende studioplaat. Waar ze in Australië, Japan, Canada en in de Verenigde Staten voor grote aantallen mensen spelen wil het in Europa maar niet lukken met de populariteit. Het wordt tijd dat daar verandering in komt.
De zware, slepende bas in Silver Spell, het openingsnummer op deze derde volwaardige plaat van Sons And Daughters windt er geen doekjes om: Mirror Mirror markeert een flinke koerswijziging voor deze Schotse band. Met de bevriende JD Twitch van het eveneens uit Glasgow afkomstige dj-duo Optimo achter de knoppen, klinkt Sons And Daughters aanzienlijk elektronischer en meer eighties dan voorheen. Het is een switch die meer bands zo rond hun derde album maken, maar Sons And Daughter weten er gelukkig een originele draai aan te geven. Mirror Mirror klinkt zwaarder en donkerder dan de eerste twee platen, maar dat gaat absoluut niet ten koste van de catchy hooks en sterke liedjes. Voor veel fans zal het even wennen zijn, maar Mirror Mirror is zonder meer een geslaagde nieuwe stap.
Je maakt je het als band niet gemakkelijk door anno 2011 nog een conceptalbum uit te brengen.
Conceptalbums zijn namelijk zo 1970.
Maar Southeast Engine trekt zich terecht niets aan van mogelijke kritiek en maakte met Canary het sterkste album in hun bestaan.
Canary vertelt het verhaal van een familie op het platteland van Ohio die getroffen wordt door de grote depressie, die in de periode voor de tweede wereldoorlog het leven van veel Amerikanen moeilijk maakt.
Adam Remnant, de zanger en songschrijver van de band, schetst in tien songs de verhalen van mensen die worstelen om hun bestaan. Daarbij wisselt de band tedere momenten als Adeline of the Appalachian Mountains af met het onstuimige 1933 (The Great Depression). Muzikaal put Southeast Engine daarbij uit Americana en folk, maar je komt ook sporen van The Band tegen.
Canary is een ware ‘ tour de force’ van Remnant en zijn mannen en een van de meest interessante albums van dit moment.
Kort na het nieuws over Super Heavy, een supergroep met onze altijd nog populaire Dave, Mick Jagger, Joss Stone, Damian Marley en A.R. Rahman, waarvan in september een album gepland staat, kregen wij The Blackbird Diaries alvast op de mat, waarop de veelgevraagde muzikale beroepscollaborateur wederom met goed recht zijn uitpuilende adresboekje aanspreekt voor een kleine wederdienst. En dus horen we Stevie Nicks hier op Cheaper Than Free, en ook Joss Stone. Colbie Caillat schreef songs met Dave voor haar eigen album Breakthrough, maar Bulletproof Heart werd onbegrijpelijkerwijs niet gebruikt, net als Worth The Waiting For met Bob Dylan, maar Dave en Dylan dollen wel vaker. The Secret Sisters, allang geen geheim meer sinds Jools' meest recente Hootenanny, dragen twee prachtnummers naar nog hogere sferen en sluiten met Country Wine Stewart's eerste soloplaat sinds dertien jaar waardig af.
De Spaanse Funk/Soul Band groeit gestaag door, maar tornt nooit aan hun principes. Ondanks dat extra blazers en strijkers hun intrede doen in de groovende sound wordt er bij voorkeur niet langer dan 1 take gedaan over de opnames en wordt alles live en, zoals het bedoeld is, analoog op de band gezet. De authentieke sound, die laveert tussen de wah wah funk van Move It On en de deep soul van I Love You More Than Words Can Say, blijft daarmee altijd overeind, terwijl het zweet bijkans uit de speakers druipt.
De afgelopen tijd kende David Sylvian een redelijk productieve periode en ruim een jaar na Manofan, worden we reeds weer getrakteerd op een uitgave: Died In The Wool. Helemaal nieuw is het album niet, want Sylvian bewerkte een zestal songs van het eerder genoemde album en voegde er ook nog eens zes nieuwe aan toen. Het is de laatste jaren duidelijk geworden dat Sylvian zich heeft afgekeerd van de ‘normale popmuziek’ (…) en ook Died In The Wool heeft een niet heel toegankelijke toon. Sylvian’s serene stem wordt veelal omzoomd door gestructureerde noise van violen, cello en samples. You love him / you hate him, is een stempel dat David Sylvian met zich meetorst en ik moet bekennen: ik heb een zwak voor de man. Luister naar I Should Not Dare en wie weet word jij ook bevangen door zijn innemend prachtige stem. De bonusdisc bevat muziek van de installatie: When We return You Won’t Recognise Us.
Drie jaar geleden verraste de Britse singer songwriter Frank Turner met doorbraakalbum Love, Ire & Song. Zijn roots in de punk geven hem zijn karakteristieke stijl: scherp observerend, krachtig gezongen en energiek begeleid. Sinds opvolger Poetry Of The Deed speelt hij niet meer alleen, maar met een band. Zo ook op vierde studioalbum England Keep My Bones. Muzikaal is het een gevarieerde mix van zijn eerdere werk: rock, folk, maar ook een a capella liedje en een hardcore punk nummer. Opmerkelijke verandering: hij zingt ineens over thuis, heimwee en zijn land, terwijl hij eerder voornamelijk over on the move blijven en nooit volwassen worden schreef.
Free is, na het mini debuut Vivarium het tweede album van Sam McTrusty, Barry McKenna, Ross McNae en Graig Kneale. Uit de zang en hun namen is makkelijk op te maken dat deze jongens uit Schotland (Glasgow) komen. Amerikaans alt-rocken met een Schots accent. Naast label Red Bull Records heeft ook Rockmagazine Kerrang! alle vertrouwen in Twin Atlantic; nog maar drie jaar geleden opgericht en ze hebben al in het voorprogramma gestaan van onder andere Blink 182, Biffy Clyro, The Gaslight Anthem. Dus gauw op je skateboard of lowrider bike om dit schijfje te halen.
Underground Railroad is de band van drie Fransen, die inmiddels in Londen wonen.
De band ontstond in Parijs in 2003.
Raphael Mura, Marion Andrau en JB Ganivet maken op dit derde album zowel broeierige als
toegankelijke muziek. De nummers zijn zorgvuldig opgebouwd, met een emotionele lading.
De naam komt van een netwerk, waarbij slaven uit het zuiden van Amerika in de
negentiende eeuw werden geholpen te ontsnappen naar het vrije noorden.
Ze voelen zich een Londense band en willen zo klinken, al waren het Amerikaanse invloeden
die hun deden besluiten muziek te gaan maken.
Een interessant album, tussen Radiohead en Velvet Underground.
Met hun negende studio album Leef! werkt Van Dik Hout voor het eerst met producer Tony Cornelissen. Met hem in de gelederen werd er een geheel vernieuwde werkwijze geïntroduceerd. De nummers werden nu namelijk ´ruw´ aangeleverd in plaats van compleet afgerond. De post-productie vertrouwde ze toe aan Cornellissen. Daardoor ontstond voor de bandleden meer ruimte om pure muziek te maken, aldus Martin Buitenhuis in een interview. Het resultaat is 12 prachtige luisterliedjes met inhoud en dynamiek. Het absolute hoogtepunt is Nieuw Zeer, wat doet denken aan hun beginperiode. Verder bevat het prima composities zoals de eerste single We Gaan Door en titelsong Ik Leef. Een prima Nederlandstalige versie van het van Adele bekende Dylan-nummer Make You Feel My Love sluit deze uitstekende plaat af.
Vorig jaar produceerde indie singer/songwriter Chad Vangaalen het tweede album van de eveneens uit Calgary afkomstige psychedelische noise rockband Women en het lijkt erop dat hij wat van die ervaring heeft meegenomen naar de opnames van zijn eigen nieuwe plaat. Diaper Island klinkt wat rauwer en steviger dan eerder werk, maar is tegelijkertijd ook veel beter geproduceerd. Oftewel, de lo-fi aanpak is gebleven, maar het resultaat klinkt meer hi-fi. Een goede ontwikkeling, want dit vierde album is zonder meer het beste dat deze Canadees tot op heden gemaakt heeft.
Eén stem en één instrument. Zou je het album Ukelele Songs niet gehoord hebben, maar alleen over deze zin informatie beschikken, dan lijkt saaiheid welhaast onvermijdbaar. Toch laat Eddie Vedder horen dat een dergelijk muzikaal wapenfeit weldegelijk betekenisvol kan zijn. Hij zoomt in qua instrumentarium, maar verkent tegelijkertijd de bijhorende grenzen. Een ukelelesong van Vedder kan namelijk klinken als rauwe punkrock (Pearl Jams nummer Can’t Keep) maar eveneens als pure popsong (More Than You Know). Het prachtige Sleepless Nights van de Everly Brothers is een zeer breekbare versie geworden. Uiteindelijk roept Vedder wederom een heerlijk muzikaal gevoel op dat we al kennen van zijn populaire soundtrackalbum Into The Wild. Ukelele Songs staat voor oprechte en eerlijke emotie. Om dat te bereiken heeft Vedder klaarblijkelijk niets meer nodig dan alleen één stem en één instrument.
Over die stem gesproken; na het zien van de, samen met Ukelele Songs uitgekomen, concertfilm Water On The Road ben ik geneigd om Stem vanaf heden steevast met hoofdletter te schrijven, wanneer het Eddie Vedder betreft. Tjonge jonge, wat kan deze man ontroeren. Ook dit blijkt wederom een weergaloos soloproject van de Pearl Jam-zanger. Opgenomen toen deze artiest in 2008 twee avonden achtereen in het Warner Theater in Washington optrad. En daar zat hij; centraal op het podium, een paar spotjes op hem gericht. Die eeuwige houthakkersblouse aan, allerhande gitaren (klein, groot, elektrisch, akoestisch) voor het grijpen. Het ene na het andere kippenvelmoment komt langs. Allemaal veroorzaakt door die prachtige Stem. Zonder overdrijven: deze concertfilm is verplichte kost voor fijnproevers.
Verrassing! Zes jaar na de hype We Have Sound (2005) verschijnt autodidact en multi-instrumentalist Tom Vek weer op de muziekradar, en wel met zijn tweede studioalbum, getiteld Leisure Seizure. De jonge Londenaar, destijds omschreven als een avant-gardistische dandy, bracht tijdens die periode van onzichtbaarheid voor alles tijd door in een studioruimte, waar hij zijn kwaliteiten als producer naar een hoger plan tilde en bouwde aan nieuw apparatuur. Resultaat is een andermaal onvergelijkbaar en ongrijpbaar, want door complexe drumbeats en vreemd basgeluid nauwelijks te definiëren album. Vooruit, noem het begeesterd, energiek en vet, om niet te zeggen bij tijd en wijle geil (World of Doubt en Someone Loves You). Vooruit, noem het een meer gladgeschoren uitgave van zijn even rauwe als meesterlijke debuut.
Het uit Florida afkomstige VersaEmerge zou zo maar eens kunnen uitgroeien tot de popsensatie van de koende zomer. Immers, ze staan op Pinkpop en het debuutalbum Fixed At Zero kan rekenen op positieve bijval alom. Ondanks de vele bezettingswisselingen met de nodige zure reacties van ex-leden weet de kern van de band – zangeres Sierra Kusterbeck en gitarist Blake Harnage – een hechte plaat te maken die als een frisse wind door emo-land waait.
Ooit was Quiet The New Loud, en als er één band is die dat trouw is gebleven is het wel Vetiver. De grote kracht van voorman Andy Cabic, het schrijven van prachtig kabbelende liedjes, die je vooral uitnodigen om in het gras te gaan liggen en de boel de boel te laten , is ook gelijk zijn grootste valkuil, want de argeloze luisteraar wil er na een paar songs nog wel eens genoeg van krijgen. The Errant Charm gaat daarom iet verder in experimenteerdrift dan de voorganger, want bij het derde nummer, Can’t You Tell, gaat het tempo opeens een stuk omhoog, om pas tegen het eind van het album weer naar de eerste versnelling terug te gaan. Ook de variatie in begeleiding is net iets groter geworden, met een kleine funky inslag in Fog Emotion, zonder dat het overigens volledig uit de bocht vliegt. Vetiver blijft een heerlijk zomers bandje en weet de aandacht nu helemaal vast te houden.
Lucy is de dochter van singer-songwriter Loudon Wainwright en Suzzy Roche, van het illustere trio The Roches. Dat maakt haar ook meteen het halfzusje van Rufus en Martha Wainwright, dus dan is je lot feitelijk bezegeld. Drie jaar geleden bracht ze al een beloftevolle EP uit, maar dit is haar eerste volwaardige album. Geheel in lijn met de rest van de familie zijn melancholie en hartenpijn ook in ruime mate bij Lucy te vinden. Ze bezit een prachtige stem die mooi kleurt bij die van The Roches, die ook meewerken aan deze plaat, evenals papa Loudon. Toch drukken ze nergens hun stempel, het is vooral Lucy’s plaat, en Lucy blijkt een verrassend goede vertolker van haar eigen zeer fraai verhalende liedjes. Het album eindigt met een cover van Paul Simon’s America, die door de medewerking van de voltallige Roches een van de hoogtepunten van een toch al zeer indrukwekkend debuut is.
Sinds het begin van het afgelopen decennium verschenen er al aardig wat albums van het Britse The Wave Pictures, al dan niet in eigen beheer. Beroemd zijn ze er niet mee geworden, maar inmiddels hebben ze wel een herkenbaar geluid ontwikkeld dat valt te omschrijven als charmant rammelende retro indiepop, te vergelijken met het geluid van bevriende bands als Herman Dune en The Mountain Goats. De typische indiezang van David Tattersall zal niet iedereen kunnen bekoren, maar Beer In The Breakers bevat wel weer voldoende fijne weirde liedjes.
Konkylie is Deens voor schelp. Het is ook de titel van het tweede album van deze band uit Kopenhagen. Ten Makes A Face uit 2009 werd buiten Scandinavië niet uitgebracht, dus feitelijk is dit een eerste kennismaking. Een aangename bovendien. Onder aanvoering van de over een bijzondere kopstem beschikkende Nikolaj Manuel Vonsild brengt When The Saints Go Machine fijnzinnige elektropop die zowel dromerig als dansbaar klinkt. Een geluid dat enerzijds een beetje doet denken aan bands als MGMT en Empire Of The Sun, anderzijds aan de fraaie plaat die het Britse Wild Beasts ondanks afleverde. Goeie plaat.
De ontwikkeling die het uit Austin, Texas afkomstige kwartet doormaakt is stormachtig te noemen, net als hun muziek ten tijde van Workout Holiday en Fits. Na het gratis beschikbare Last Days Of Summer is D het vierde album van de band en nog steeds is onvoorspelbaarheid een belangrijke factor binnen White Denim. Maar nu zijn het niet meer de rock- en garageinvloeden die de boventoon vormen, maar een warmere, meer akoestische feel met flink wat psychedelische uitspattingen. De extra productionele hoogstandjes gaan gelukkig niet ten koste van de wisselwerking tussen de vier leden. De ritmesectie (bassist Steve Terebecki en drummer Josh Block) blijft ongemeen sterk, terwijl gitaristen James Petralli en Austin Jenkins elkaar perfect aanvullen en tot grote hoogten brengen, of het nu gaat om jazz-, prog- of rock riffs. Nergens wordt het aanstellerig, het liedje blijft te allen tijde centraal staan. Dat maakt D van White Denim een waar meesterwerk.
Het Amerikaanse duo uit Portland, YACHT, bestaat sinds 2003 uit Jona Bechtolt en Claire Evans. Dit vijfde
album, en tweede voor DFA Records,maakten ze samen met Bobby Birdman, bandlid tijdens tournees.
Ze produceerden het album zelf o.a. in Los Angeles.
Shangri-la is hun eigen utopia, een droomland vol liedjes. De elektro-pop is
aanstekelijk, ergens tussen Blondie, ten tijde van Eat To The Beat, en Depeche Mode.
Fijne elektronische pop.
Met hun eerste twee albums wisten deze Canadezen nog niet veel handen op elkaar te krijgen, maar voor Shapeshifting deden ze een meesterzet door de helft van het Zweedse duo Studio in te huren als producer. Dan Lissvik omlijste de dreampop van Young Galaxy namelijk met een fikse dosis dansbare elektronica. Dat levert fantastische liedjes op als We Have Everything, For Dear Life, Peripheral Visionaries, Phantoms en Cover Your Tracks die vooral door Catherine McCandless naar grote hoogten worden gezongen. Er wordt flink geflirt met de jaren ’80, maar Shapeshifting klinkt toch vooral als toekomstmuziek. Een zwaar verslavende plaat om deze zomer hopeloos verliefd op te worden!
Voor degenen die deze band niet kennen: Young Knives is een trio uit Leicestershire, Engeland en opereren in ongeveer dezelfde stijl als bijvoorbeeld The Futureheads, Pete & The Pirates en ook The Jam.
Deze derde langspeler gaat meteen geweldig van start met het nummer "Love my Name". Krachtig en stuwend ritme gaat prachtig samen met een pakkende melodie en mooie zangharmonie in het refrein, wat dagenlang in het hoofd blijft plakken.
Sommige nummers liggen qua tempo wat lager en daardoor zit er niet zoveel vaart in als de eerste twee albums. Alle songs zijn echter van een hoog niveau en zijn altijd boeiend.
Ook hebben de heren ervoor gekozen de plaat hier en daar wat op te leuken met synthesizers en geluiden zoals Killing Joke en Duran Duran dat deden in jaren 80. Hulde!
Een nieuwe worp Cave-reissues, wederom prachtig verzorgd met naast het originele album telkens een dvd met surroundmix, weer vier delen van de documentaire Do You Love Me Like I Love You waarin muzikanten en fans vertellen over het betreffende album en enkele bonustracks. Let Love In, de opvolger van Henry’s Dream, ligt nog redelijk in het verlengde van zijn voorganger, maar is duidelijk beter geproduceerd en er is meer aandacht aan de arrangementen besteed. Jangling Jack is even woest en manisch als vanouds, maar het titelnummer en Do You Love Me verwijzen voorzichtig naar de toekomst.
Op opvolger Murder Ballads niets dan dood en geweld in een reeks prachtige al dan niet flink aangepaste versies van traditionele murder ballads. Hoogtepunten zijn de duetten met Kylie Minogue (Where The Wild Roses Grow) en PJ Harvey (Henry Lee), maar het met galgenhumor doordrenkte Stagger Lee beklijft het meest.
Hoewel Let Love In en Murder Ballads schitterende platen zijn, vallen ze bijna volkomen in het niet bij de ware tour de force die The Boatman’s Call blijkt. Verdwenen is de muzikale gekte, verdwenen zijn de explosieve climaxen. Op deze plaat vol ontwapenende en beangstigende liefdesliedjes zijn de arrangementen ingetogen en sober, en klinkt Cave opvallend kwetsbaar. Into My Arms, Brompton Oratory en (Are You) The One That I’ve Been Waiting For? zijn slechts drie van de inmiddels klassieke nummers die deze plaat tot een waar meesterwerk maken.
Drie jaar later herhaalt Cave dit kunstje nog maar eens met het iets minder ingetogen No More Shall We Part. Nick Cave wordt als vanouds bijgestaan door The Bad Seeds, ditmaal niet alleen aangevuld met een strijkersgroep (die nergens teveel op de voorgrond treedt), maar bovenal met de gedoseerde prachtige achtergrondzang van Kate en Anna McGarrigle. De plaat werd opgenomen in de befaamde Abbey Road-studio’s en bekende Cave-thema’s passeren de revue, met als hoogtepunt As I Sat Sadly By Her Side.
Een nieuwe worp Cave-reissues, wederom prachtig verzorgd met naast het originele album telkens een dvd met surroundmix, weer vier delen van de documentaire Do You Love Me Like I Love You waarin muzikanten en fans vertellen over het betreffende album en enkele bonustracks. Let Love In, de opvolger van Henry’s Dream, ligt nog redelijk in het verlengde van zijn voorganger, maar is duidelijk beter geproduceerd en er is meer aandacht aan de arrangementen besteed. Jangling Jack is even woest en manisch als vanouds, maar het titelnummer en Do You Love Me verwijzen voorzichtig naar de toekomst.
Op opvolger Murder Ballads niets dan dood en geweld in een reeks prachtige al dan niet flink aangepaste versies van traditionele murder ballads. Hoogtepunten zijn de duetten met Kylie Minogue (Where The Wild Roses Grow) en PJ Harvey (Henry Lee), maar het met galgenhumor doordrenkte Stagger Lee beklijft het meest.
Hoewel Let Love In en Murder Ballads schitterende platen zijn, vallen ze bijna volkomen in het niet bij de ware tour de force die The Boatman’s Call blijkt. Verdwenen is de muzikale gekte, verdwenen zijn de explosieve climaxen. Op deze plaat vol ontwapenende en beangstigende liefdesliedjes zijn de arrangementen ingetogen en sober, en klinkt Cave opvallend kwetsbaar. Into My Arms, Brompton Oratory en (Are You) The One That I’ve Been Waiting For? zijn slechts drie van de inmiddels klassieke nummers die deze plaat tot een waar meesterwerk maken.
Drie jaar later herhaalt Cave dit kunstje nog maar eens met het iets minder ingetogen No More Shall We Part. Nick Cave wordt als vanouds bijgestaan door The Bad Seeds, ditmaal niet alleen aangevuld met een strijkersgroep (die nergens teveel op de voorgrond treedt), maar bovenal met de gedoseerde prachtige achtergrondzang van Kate en Anna McGarrigle. De plaat werd opgenomen in de befaamde Abbey Road-studio’s en bekende Cave-thema’s passeren de revue, met als hoogtepunt As I Sat Sadly By Her Side.
Een nieuwe worp Cave-reissues, wederom prachtig verzorgd met naast het originele album telkens een dvd met surroundmix, weer vier delen van de documentaire Do You Love Me Like I Love You waarin muzikanten en fans vertellen over het betreffende album en enkele bonustracks. Let Love In, de opvolger van Henry’s Dream, ligt nog redelijk in het verlengde van zijn voorganger, maar is duidelijk beter geproduceerd en er is meer aandacht aan de arrangementen besteed. Jangling Jack is even woest en manisch als vanouds, maar het titelnummer en Do You Love Me verwijzen voorzichtig naar de toekomst.
Op opvolger Murder Ballads niets dan dood en geweld in een reeks prachtige al dan niet flink aangepaste versies van traditionele murder ballads. Hoogtepunten zijn de duetten met Kylie Minogue (Where The Wild Roses Grow) en PJ Harvey (Henry Lee), maar het met galgenhumor doordrenkte Stagger Lee beklijft het meest.
Hoewel Let Love In en Murder Ballads schitterende platen zijn, vallen ze bijna volkomen in het niet bij de ware tour de force die The Boatman’s Call blijkt. Verdwenen is de muzikale gekte, verdwenen zijn de explosieve climaxen. Op deze plaat vol ontwapenende en beangstigende liefdesliedjes zijn de arrangementen ingetogen en sober, en klinkt Cave opvallend kwetsbaar. Into My Arms, Brompton Oratory en (Are You) The One That I’ve Been Waiting For? zijn slechts drie van de inmiddels klassieke nummers die deze plaat tot een waar meesterwerk maken.
Drie jaar later herhaalt Cave dit kunstje nog maar eens met het iets minder ingetogen No More Shall We Part. Nick Cave wordt als vanouds bijgestaan door The Bad Seeds, ditmaal niet alleen aangevuld met een strijkersgroep (die nergens teveel op de voorgrond treedt), maar bovenal met de gedoseerde prachtige achtergrondzang van Kate en Anna McGarrigle. De plaat werd opgenomen in de befaamde Abbey Road-studio’s en bekende Cave-thema’s passeren de revue, met als hoogtepunt As I Sat Sadly By Her Side.
Een nieuwe worp Cave-reissues, wederom prachtig verzorgd met naast het originele album telkens een dvd met surroundmix, weer vier delen van de documentaire Do You Love Me Like I Love You waarin muzikanten en fans vertellen over het betreffende album en enkele bonustracks. Let Love In, de opvolger van Henry’s Dream, ligt nog redelijk in het verlengde van zijn voorganger, maar is duidelijk beter geproduceerd en er is meer aandacht aan de arrangementen besteed. Jangling Jack is even woest en manisch als vanouds, maar het titelnummer en Do You Love Me verwijzen voorzichtig naar de toekomst.
Op opvolger Murder Ballads niets dan dood en geweld in een reeks prachtige al dan niet flink aangepaste versies van traditionele murder ballads. Hoogtepunten zijn de duetten met Kylie Minogue (Where The Wild Roses Grow) en PJ Harvey (Henry Lee), maar het met galgenhumor doordrenkte Stagger Lee beklijft het meest.
Hoewel Let Love In en Murder Ballads schitterende platen zijn, vallen ze bijna volkomen in het niet bij de ware tour de force die The Boatman’s Call blijkt. Verdwenen is de muzikale gekte, verdwenen zijn de explosieve climaxen. Op deze plaat vol ontwapenende en beangstigende liefdesliedjes zijn de arrangementen ingetogen en sober, en klinkt Cave opvallend kwetsbaar. Into My Arms, Brompton Oratory en (Are You) The One That I’ve Been Waiting For? zijn slechts drie van de inmiddels klassieke nummers die deze plaat tot een waar meesterwerk maken.
Drie jaar later herhaalt Cave dit kunstje nog maar eens met het iets minder ingetogen No More Shall We Part. Nick Cave wordt als vanouds bijgestaan door The Bad Seeds, ditmaal niet alleen aangevuld met een strijkersgroep (die nergens teveel op de voorgrond treedt), maar bovenal met de gedoseerde prachtige achtergrondzang van Kate en Anna McGarrigle. De plaat werd opgenomen in de befaamde Abbey Road-studio’s en bekende Cave-thema’s passeren de revue, met als hoogtepunt As I Sat Sadly By Her Side.
In een korte tijd wordt deze klassieker opnieuw uitgebracht, nu als Deluxe Edition. De opgevoerde reden is dat Cuby dit jaar zeventig wordt. Voor deze gelegenheid is deze klassieker uit 1967 uitgebreid met een dvd, waarop de aflevering van Classic Albums staat, toegevoegd. Dit programma werd in 1997 opgenomen en laat op een fraaie wijze de ontstaansgeschiedenis zien van deze plaat. De muzikale schijf staat natuurlijk vol met klassiek Cuby-materiaal zoals Another Day Another Road en mag vanwege die klassieke kwaliteit in geen enkele verzameling van zichzelf respecterende muziekliefhebbers ontbreken. Fraai is overigens dat behalve dat de plaat in een mooi digipack gestoken is er nu ook aandacht besteed is aan het boekje. Zo schreef Johan Derksen een voorwoord en zijn er mooie plaatjes in terug te vinden. Als kers op de taart wordt deze Deluxe Edition ook nog eens voor een zacht prijsje uitgegeven. Dus wat let je?
Als er van The Mama’s & Papa’s een televisieserie zou worden gemaakt dan zou GTST daar bleekjes bij afsteken. De band blonk dan ook uit in ongekend succes, interne intriges, extreem ongeluk en vooral te veel drank en drugs. Na het uiteengaan van de band in 1969 zochten de leden het solopad, echter meestal zonder succes. Zo is het ook dit album uit 1974 vergaan. Waiting For A Song werd alleen in de UK en Doherty’s thuisland Canada uitgebracht en is nu in geremasterde vorm opnieuw uitgebracht. Doherty was de beste zanger van The Mama’s & Papa’s en laat dat ook op dit album horen. Het album heeft een melancholieke sfeer en laat oude tijden herleven door de opvallende aanwezigheid van Cass Elliott en Michelle Phillips in de harmonieën.
Als tegenwicht voor al het muzikale geweld uit Liverpool, waren The Hollies het beste dat Manchester in de eerste helft van de sixties te bieden had. Vernoemd naar Buddy Holly maar vooral beïnvloed door The Everly Brothers was het sterkste wapen van de band de vocalen van het trio uit de titel van deze compilatie. Dit uit maar liefst zes schijven bestaande overzicht laat fraai de groei horen van een band die eerst het clubcircuit uit de omgeving plat speelt met een repertoire dat weinig verschilt van tijdgenoten. Veel covers dus en The Hollies scoren er grote hits mee. Vanaf 1966 neemt het zelfgeschreven materiaal de overhand en de eerste drie singles (Stop Stop Stop, On A Carousel en Carrie Anne) werden grote hits. Maar ook vanaf dit moment is de kentering hoorbaar. Op de briljante albums Evolution en Butterfly heeft Graham Nash grote invloed en zijn hoge harmonieën en messcherpe vocalen tillen de groep naar een hoog niveau. Er is echter al snel ruzie over de te volgen koers. Nash ontplooit zich tot onvervalste hippie met een voorliefde voor bewustzijnsverruimende middelen daar waar de rest van de band liever een pint in de pub neemt. Het breekpunt is de Nash compositie King Midas In Reverse, de rest van de groep maakt liever een album vol Dylan covers in plaats van deze vernieuwende weg te volgen. De wegen scheiden zich en beide richtingen zullen succesvol blijven: Nash verhuisd naar de VS en ontmoet ene David Crosby en Stephen Stills, The Hollies trekken Terry Sylvester als vervanger aan en zullen nog regelmatig de hitparade bestormen.
Ace Records heeft zich toegang verschaft tot de archieven van Motown/Tamla Records en richt hierbij het vizier op het werk van individuele artiesten en groepen. Eerder verschenen compilaties met opnamen van The Satintones en The Contours, de volgende in de reeks is gewijd aan ene Marv Johnson. Deze soulbroeder maakte in de tweede helft van de jaren zestig een aantal verdienstelijke opnamen waarmee hij vooral in Groot-Brittannië – hongerig naar alles wat Motown produceerde – succes oogstte. Alle opnamen uit deze periode zijn nu bijeengebracht op de compilatie I’ll Pick A Rose For My Rose, vernoemd naar zijn grote hit uit 1969. Marv Johnson blijkt toegerust met een hoge fluwelen stem, zijn zang is een lust voor het oor. Met souplesse vertolkt hij hier een aantal songs in midtempo en uptempo. De enkele ballads die hij hier uitvoert zijn evenmin te versmaden. Overbodig op te merken dat sound en arrangementen onmiskenbaar het stempel van Motown Records dragen.
In zijn vroege jaren was countryzanger George Jones op zoek naar zijn stem en zijn stijl. Onder invloed van zijn grote helden Hank Williams en Little Jimmy Dickens ontwikkeld hij zich in deze periode tot misschien wel de grootste countryzanger ooit. Op het label Starday brengt hij zijn eerste platen uit en die vallen meteen op met hardcore honkytonk en hartverscheurende ballads. Jones snoept ook graag mee met de dan heersende rock ’n roll rage en doet dat onder het pseudoniem Thumper Jones. Een fraaie en uitgebreide selectie uit het werk voor Starday is nu op drie schijven verzameld door Fantastic Voyage. Natuurlijk niet zo onovertroffen als de boxen die The Bear Family van Jones uitbracht, maar er hangt dan ook een heel wat sympathieker prijskaartje aan.
Na Band On The Run volgen nu twee nieuwe delen in de Archive Collection van Paul McCartney volgens het bekende recept: drie verschillende edities en een haarscherpe remastering door het Abbey Road team. Beide albums kennen als overeenkomst dat McCartney ze geheel in zijn uppie -enkele hand- en spandiensten van Linda daargelaten – maakte in een turbulente periode in zijn leven. Beide kun je dan ook als een muzikale therapeutisch geheel beschouwen, want zo heeft McCartney ze ook gebruikt. Als in 1970 bekend wordt dat The Beatles uit elkaar zijn, krijgt McCartney de schuld. Hij is degene die bij de promo’s van zijn eerste soloalbums een zelfgeschreven interview stopt waaruit blijkt dat het echt finito is met The Fab Four. Het album is door hem gemaakt op een simpele 4 sporen recorder en bevat uiterst charmante huisvlijt en één monumentale song: Maybe I’m Amazed. In de luxere edities zijn schijven met bonustracks (outtakes, One Hand Clapping en liveopnames) en een DVD (The Album Story, clips en liveopnames) toegevoegd.
Na Band On The Run volgen nu twee nieuwe delen in de Archive Collection van Paul McCartney volgens het bekende recept: drie verschillende edities en een haarscherpe remastering door het Abbey Road team. Beide albums kennen als overeenkomst dat McCartney ze geheel in zijn uppie -enkele hand- en spandiensten van Linda daargelaten – maakte in een turbulente periode in zijn leven. Beide kun je dan ook als een muzikale therapeutisch geheel beschouwen, want zo heeft McCartney ze ook gebruikt. Als in 1970 bekend wordt dat The Beatles uit elkaar zijn, krijgt McCartney de schuld. Hij is degene die bij de promo’s van zijn eerste soloalbums een zelfgeschreven interview stopt waaruit blijkt dat het echt finito is met The Fab Four. Het album is door hem gemaakt op een simpele 4 sporen recorder en bevat uiterst charmante huisvlijt en één monumentale song: Maybe I’m Amazed. In de luxere edities zijn schijven met bonustracks (outtakes, One Hand Clapping en liveopnames) en een DVD (The Album Story, clips en liveopnames) toegevoegd.
2 discs (2 CD) housed within enhanced packaging
The original 13-track album, remastered at Abbey Road Studios in London plus 7 previously unreleased bonus tracks
Digital download of 20 tracks as premium DRM-free 320Kbps MP3s
CD 1 – Remastered Album
1.The Lovely Linda
2.That Would Be Something
3.Valentine Day
4.Every Night
5. Hot As Sun / Glasses
6.Junk
7.Man We Was Lonely
8.Oo You
9.Momma Miss America
10.Teddy Boy
11.Singalong Junk
12.Maybe I’m Amazed
13.Kreen-Akrore
CD 2 – Bonus Audio Tracks
1. Suicide [Out-take]
2.Maybe I’m Amazed [From One Hand Clapping]
3.Every Night [Live At Glasgow, 1979]
4.Hot As Sun [Live At Glasgow, 1979]
5.Maybe I’m Amazed [Live At Glasgow, 1979]
6.Don’t Cry Baby [Out-take]
7.Women Kind (Demo) [Mono]
Na Band On The Run volgen nu twee nieuwe delen in de Archive Collection van Paul McCartney volgens het bekende recept: drie verschillende edities en een haarscherpe remastering door het Abbey Road team. Beide albums kennen als overeenkomst dat McCartney ze geheel in zijn uppie -enkele hand- en spandiensten van Linda daargelaten – maakte in een turbulente periode in zijn leven. Beide kun je dan ook als een muzikale therapeutisch geheel beschouwen, want zo heeft McCartney ze ook gebruikt.
McCartney II komt uit 1980 en ook hier is het uiteengaan van een band – Wings – katalysator, al speelde ook een beroemde drugsarrestatie in Japan een grote rol. Het experiment viert hoogtij doch bevat het album ook weer een grote hit met Coming Up. Het nummer - dat op de single pikant genoeg door Wings live in Glasgow wordt gespeeld - inspireerde John Lennon tot nieuwe muzikale activiteiten die leidden tot Double Fantasy. Als geheel mist het album echter de melodieën van McCartney I en zijn de synthesizeravonturen wat gedateerd. Ook hier weer veel extra’s en in de allerdeluxste editie een extra schijf met mixen.
Na Band On The Run volgen nu twee nieuwe delen in de Archive Collection van Paul McCartney volgens het bekende recept: drie verschillende edities en een haarscherpe remastering door het Abbey Road team. Beide albums kennen als overeenkomst dat McCartney ze geheel in zijn uppie -enkele hand- en spandiensten van Linda daargelaten – maakte in een turbulente periode in zijn leven. Beide kun je dan ook als een muzikale therapeutisch geheel beschouwen, want zo heeft McCartney ze ook gebruikt.
McCartney II komt uit 1980 en ook hier is het uiteengaan van een band – Wings – katalysator, al speelde ook een beroemde drugsarrestatie in Japan een grote rol. Het experiment viert hoogtij doch bevat het album ook weer een grote hit met Coming Up. Het nummer - dat op de single pikant genoeg door Wings live in Glasgow wordt gespeeld - inspireerde John Lennon tot nieuwe muzikale activiteiten die leidden tot Double Fantasy. Als geheel mist het album echter de melodieën van McCartney I en zijn de synthesizeravonturen wat gedateerd. Ook hier weer veel extra’s en in de allerdeluxste editie een extra schijf met mixen.
4 discs (3 CD, 1 DVD) set withing a limited & numbered 128-page book containing many previously unpublished images by Linda McCartney. The book features album and single artwork and a full history of the making of the album, complete with a new interview with Paul and expanded track by track information
The original 11 track album plus 16 bonus tracks, including previously unreleased tracks and alternative versions, remastered at Abbey Road Studios in London
DVD featuring rare and previously unseen footage, including rehearsal footage of 'Coming Up' and the new video for the unreleased track 'Blue Sway'
High resolution audio (limited and unlimited) included via download card within package
Digital download of all 27 tracks as premium DRM-free 320Kbps MP3s and all video material
CD 1 – Remastered Album
1.Coming Up
2.Temporary Secretary
3.On The Way
4.Waterfalls
5.Nobody Knows
6.Front Parlour
7.Summer’s Day Song
8.Frozen Jap
9.Bogey Music
10.Darkroom
11.One Of These Days
CD 2 – Bonus Audio 1
1.Blue Sway [With Richard Niles Orchestration]
2.Coming Up [Live At Glasgow, 1979]
3.Check My Machine [Edit]
4.Bogey Wobble
5.Secret Friend [Full Length Version]
6.Mr H Atom / You Know I’ll Get you Baby
7.Wonderful Christmastime [Edited Version]
CD 3 - Bonus Audio 2
1.Coming Up [Full Length Version]
2.Front Parlour [Full Length Version ]
3.Frozen Jap [Full Length Version ]
4.Darkroom [Full Length Version ]
5.Check My Machine [Full Length Version ]
6.Wonderful Christmastime [Full Length Version]
7.Summer’s Day Song [Original without vocals]
8.Waterfalls [DJ Edit]
DVD – Bonus Film
1.Meet Paul McCartney
2.Coming Up Music Video
3.Waterfalls Music Video
4.Wonderful Christmastime Music Video
5.Coming Up [Live at Concert for the People of Kampuchea, 1979]
6.Coming Up [taken from a rehearsalsession at Lower Gate Farm, 1979]
7.Making the Coming Up Music Video
8.Blue Sway
Download
24bit 96kHz high resolution audio versions of all 27 songs on the remastered album and bonus audio disc
Na Band On The Run volgen nu twee nieuwe delen in de Archive Collection van Paul McCartney volgens het bekende recept: drie verschillende edities en een haarscherpe remastering door het Abbey Road team. Beide albums kennen als overeenkomst dat McCartney ze geheel in zijn uppie -enkele hand- en spandiensten van Linda daargelaten – maakte in een turbulente periode in zijn leven. Beide kun je dan ook als een muzikale therapeutisch geheel beschouwen, want zo heeft McCartney ze ook gebruikt.
McCartney II komt uit 1980 en ook hier is het uiteengaan van een band – Wings – katalysator, al speelde ook een beroemde drugsarrestatie in Japan een grote rol. Het experiment viert hoogtij doch bevat het album ook weer een grote hit met Coming Up. Het nummer - dat op de single pikant genoeg door Wings live in Glasgow wordt gespeeld - inspireerde John Lennon tot nieuwe muzikale activiteiten die leidden tot Double Fantasy. Als geheel mist het album echter de melodieën van McCartney I en zijn de synthesizeravonturen wat gedateerd. Ook hier weer veel extra’s en in de allerdeluxste editie een extra schijf met mixen.
2 discs (2 CD) housed within enhanced packaging
The original 11-track album plus 8 bonus tracks, including previously unreleased tracks and alternative versions, remastered at Abbey Road Studios in London
Digital download of 19 tracks as premium DRM-free 320Kbps MP3s
~
CD 1 – Remastered Album
1.Coming Up
2.Temporary Secretary
3.On The Way
4.Waterfalls
5.Nobody Knows
6.Front Parlour
7.Summer’s Day Song
8.Frozen Jap
9.Bogey Music
10.Darkroom
11.One Of These Days
CD 2 – Bonus Audio 1
1.Blue Sway [With Richard Niles Orchestration]
2.Coming Up [Live At Glasgow, 1979]
3.Check My Machine [Edit]
4.Bogey Wobble
5.Secret Friend [Full Length Version]
6.Mr H Atom / You Know I’ll Get you Baby
7.Wonderful Christmastime [Edited Version]
In de vorige Mania stond een interview met Grasshopper over het ontstaan van het klassieke Deserter’s Songs van Mercury Rev. Dat dit meesterwerk niet bepaald vanzelf tot stand kwam mag duidelijk zijn. Nadat zanger David Baker de band hat verlaten was Grasshopper met Jonathan Donahue (op dat moment ook nog lid van Flaming Lips) fanatiek aan de slag gegaan met het ontwikkelen van een nieuwe sound. See You On The Other Side was het eerste resultaat en er was niemand die het album begreep. Totaal gedesillusioneerd verkocht het gezelschap hun instrumentarium om te vluchten in een waas van drugs. Muziek werd er gelukkig nog wel gemaakt en het was de ontmoeting met buurman Levon Helm (van The Band) die ze weer op het juiste spoor bracht. Hij speelt net als Garth Hudson mee op Deserter’s Songs, het album dat na lang werken ontstond. Het unieke geluid van de plaat gaf het een tijdloze status en dat wordt nu middels een tweede schijf vol demo’s en extra’s in perspectief gezet. Je hoort krakkemikkige pianodemo’s en vage jams die uiteindelijk uitgroeien tot tracks die haast van een andere planeet lijken te komen.
Ook de tweede serie remasters wordt vergezeld van een verzamelaar met minder bekende nummers: Deep Cuts 2. Net als op deel 1 geeft een select gezelschap van dertien albumtracks (plus de single Spread Your Wings) een alternatieve kijk op de muziek van Queen in een specifieke periode. News Of The World is met vier tracks het best vertegenwoordigd, Hot Space, Jazz en The Game leveren elk drie songs en Flash Gordon komt er met één nummer wel erg karig van af. Waar een gemiddeld Queen album al van alle markten thuis is, luistert Deep Cuts 2 helemaal als een achtbaan aan muziekstijlen. Het is nauwelijks voor te stellen dat de nummers Sheer Heart Attack, Staying Power en Mustapha binnen vijf jaar door één band geproduceerd zijn. Daarmee is Deep Cuts 2 een passend eerbetoon aan de veelzijdigheid van Queen, zeker gedurende de vijf albums die hier samengevat worden.
De soundtrack van Flash Gordon blijft een vreemde eend in de discografie van Queen. Alleen Flash Theme en The Hero zijn min of meer conventionele songs, met zang van Freddie Mercury. Flash Theme, met het zeer herkenbare pulserende ritme, werd als enige op single uitgebracht en als sample later dankbaar verknipt door Public Enemy. Op de andere nummers, soms niet meer dan fragmenten van een minuut, wordt gebruik gemaakt van dialogen en geluidseffecten uit de film. Het eindresultaat is verrassend goed te pruimen, ook omdat Queen vrij ver buiten hun gebruikelijke paden treedt. Van de zes nummers die op de gelimiteerde dubbelaar te vinden zijn, zullen de fans vooral hun oren spitsen bij de alternatieve versies van The Hero, The Kiss en Football Fight.
De soundtrack van Flash Gordon blijft een vreemde eend in de discografie van Queen. Alleen Flash Theme en The Hero zijn min of meer conventionele songs, met zang van Freddie Mercury. Flash Theme, met het zeer herkenbare pulserende ritme, werd als enige op single uitgebracht en als sample later dankbaar verknipt door Public Enemy. Op de andere nummers, soms niet meer dan fragmenten van een minuut, wordt gebruik gemaakt van dialogen en geluidseffecten uit de film. Het eindresultaat is verrassend goed te pruimen, ook omdat Queen vrij ver buiten hun gebruikelijke paden treedt. Van de zes nummers die op de gelimiteerde dubbelaar te vinden zijn, zullen de fans vooral hun oren spitsen bij de alternatieve versies van The Hero, The Kiss en Football Fight.
Hot Space uit 1982 verdeelde de Queen fans als geen ander album. Aangemoedigd door het doorslaande succes van Another One Bites The Dust, experimenteert Queen naar hartelust met disco, pop en funk. Basgitaar en drums zijn gedeeltelijk vervangen door hun synthetische tegenpolen, waardoor de songs ongekend licht en luchtig klinken. Helaas blijven de meeste songs in goede bedoelingen steken, al leverde de single Body Language nog wel een verdiende hit op. Under Pressure, het duet met David Bowie dat al in 1981 een dikke hit was, werd als toegift nog aan Hot Space toegevoegd, maar doet uitermate misplaatst aan in dit gezelschap. Freddie Mercury zou op zijn latere solowerk (geslaagder) voortborduren op de sound van Hot Space. Queen keerde op opvolger The Works grotendeels op zijn schreden terug. Als extra tracks zijn op de limited edition drie live tracks, de single remix van Back Chat en het B-kantje Soul Brother te vinden.
Hot Space uit 1982 verdeelde de Queen fans als geen ander album. Aangemoedigd door het doorslaande succes van Another One Bites The Dust, experimenteert Queen naar hartelust met disco, pop en funk. Basgitaar en drums zijn gedeeltelijk vervangen door hun synthetische tegenpolen, waardoor de songs ongekend licht en luchtig klinken. Helaas blijven de meeste songs in goede bedoelingen steken, al leverde de single Body Language nog wel een verdiende hit op. Under Pressure, het duet met David Bowie dat al in 1981 een dikke hit was, werd als toegift nog aan Hot Space toegevoegd, maar doet uitermate misplaatst aan in dit gezelschap. Freddie Mercury zou op zijn latere solowerk (geslaagder) voortborduren op de sound van Hot Space. Queen keerde op opvolger The Works grotendeels op zijn schreden terug. Als extra tracks zijn op de limited edition drie live tracks, de single remix van Back Chat en het B-kantje Soul Brother te vinden.
Jazz staat zelden bovenin het lijstje favoriete Queen albums, al toonde Justin Hawkins van The Darkness zich ooit een grote fan van deze plaat. Mercury redt de boel nog aardig met zijn composities Mustapha, Bicycle Race en Don’t Stop Me Now. En hoewel May en Taylor als gitarist en drummer goed in vorm zijn, laten ze het als songschrijvers lelijk afweten. Vooral op voormalig kant 2 verschiet Jazz per nummer van kleur, met de curieuze Elvis tribute Dreamer’s Ball en enkele futloze ballads. Op de limited edition zijn vier nummers van Jazz in een alternatieve versie te horen, alsmede een live versie van Let Me Entertain You.
Jazz staat zelden bovenin het lijstje favoriete Queen albums, al toonde Justin Hawkins van The Darkness zich ooit een grote fan van deze plaat. Mercury redt de boel nog aardig met zijn composities Mustapha, Bicycle Race en Don’t Stop Me Now. En hoewel May en Taylor als gitarist en drummer goed in vorm zijn, laten ze het als songschrijvers lelijk afweten. Vooral op voormalig kant 2 verschiet Jazz per nummer van kleur, met de curieuze Elvis tribute Dreamer’s Ball en enkele futloze ballads. Op de limited edition zijn vier nummers van Jazz in een alternatieve versie te horen, alsmede een live versie van Let Me Entertain You.
Op News Of The World kregen John Deacon en Roger Taylor de gelegenheid elk twee composities aan te dragen. Deacon kwam met het prachtige Spread Your Wings, dat als tweede single van het album getrokken werd. Taylor overtuigde met het hard rockende Sheer Heart Attack, dat ontstond ten tijde van het gelijknamige album uit 1974, maar destijds in demo status bleef steken. News Of The World opent met het klassieke tweeluik We Will Rock You / We Are The Champions, dat uitgroeide tot hét volkslied van alle stadions in de wereld. Het broeierige Get Down Make Love en dramatische It’s Late zijn verdere hoogtepunten. In retrospectief verdient News Of The World veel meer waardering dan het destijds kreeg, roeiend tegen de stroom van de opkomende punkbeweging in. De bonus EP bevat twee live tracks en twee BBC sessies. Verreweg het meest interessant is Feelings, Feelings, een bewerkte versie van een track die Brian May al in 1973 componeerde, maar ook News Of The World niet haalde.
Op News Of The World kregen John Deacon en Roger Taylor de gelegenheid elk twee composities aan te dragen. Deacon kwam met het prachtige Spread Your Wings, dat als tweede single van het album getrokken werd. Taylor overtuigde met het hard rockende Sheer Heart Attack, dat ontstond ten tijde van het gelijknamige album uit 1974, maar destijds in demo status bleef steken. News Of The World opent met het klassieke tweeluik We Will Rock You / We Are The Champions, dat uitgroeide tot hét volkslied van alle stadions in de wereld. Het broeierige Get Down Make Love en dramatische It’s Late zijn verdere hoogtepunten. In retrospectief verdient News Of The World veel meer waardering dan het destijds kreeg, roeiend tegen de stroom van de opkomende punkbeweging in. De bonus EP bevat twee live tracks en twee BBC sessies. Verreweg het meest interessant is Feelings, Feelings, een bewerkte versie van een track die Brian May al in 1973 componeerde, maar ook News Of The World niet haalde.
The Game is in meerdere opzichten een mijlpaal in de carrière van Queen. Voor het eerst duiken synthesizers op in de arrangementen en dat terwijl op de hoezen van de vroege albums de afwezigheid daarvan juist expliciet vermeld werd. Daarnaast verlegt Queen met veel succes de grenzen in de richting van een pop/rock sound. Het basloopje van Another One Bites The Dust hoort dertig jaar na dato nog steeds tot de meest herkenbare uit de popmuziek. Samen met Crazy Little Thing Called Love leverde dat twee Amerikaanse nummer 1 hits op rij op. De kleinere hits Save Me, Play The Game en enkele sterke album tracks als Dragon Attack en Sail Away Sweet Sister completeren het kortste, maar tegelijkertijd één van de beste Queen albums. The Game bezorgde Queen een vliegende start van de jaren tachtig, die uiteindelijk minstens zo succesvol bleken als hun eerste decennium. Van de vijf extra nummers op de limited edition zijn de alternatieve take van Sail Away Sweet Sister en It’s A Beautiful Day in de korte oerversie uit 1980 het meest interessant.
The Game is in meerdere opzichten een mijlpaal in de carrière van Queen. Voor het eerst duiken synthesizers op in de arrangementen en dat terwijl op de hoezen van de vroege albums de afwezigheid daarvan juist expliciet vermeld werd. Daarnaast verlegt Queen met veel succes de grenzen in de richting van een pop/rock sound. Het basloopje van Another One Bites The Dust hoort dertig jaar na dato nog steeds tot de meest herkenbare uit de popmuziek. Samen met Crazy Little Thing Called Love leverde dat twee Amerikaanse nummer 1 hits op rij op. De kleinere hits Save Me, Play The Game en enkele sterke album tracks als Dragon Attack en Sail Away Sweet Sister completeren het kortste, maar tegelijkertijd één van de beste Queen albums. The Game bezorgde Queen een vliegende start van de jaren tachtig, die uiteindelijk minstens zo succesvol bleken als hun eerste decennium. Van de vijf extra nummers op de limited edition zijn de alternatieve take van Sail Away Sweet Sister en It’s A Beautiful Day in de korte oerversie uit 1980 het meest interessant.
Toen hij doorbrak naar het grote publiek met Year Of The Cat had de Schotse folkie Al Stewart al een flinke carrière achter de rug. Al in 1966 maakte hij samen met Jimmy Page een geflopte single: The Elf. – Hij was naar London vertrokken en verbleef daar enige tijd in het gezelschap van Paul Simom en de legenadrische Jackson C. Frank. In 1967 bood CBS hem de mogelijkheid een heel album op te nemen. Het zeer ingetogen Bed Sitter Images was het gevolg. Dit prachtige album is in zijn geheel te horen op Images – samen met vier bonustracks. Zijn tweede plaat, Love Chronicles, liet een sterke ontwikkeling horen, zoals het indrukwekkende titelnummer van ruim 18 minuten toont. Zijn derde album, Zero She Flies, is mijn persoonlijke favoriet. Het hoge niveau van de titeltrack van de voorloper wordt het gehele album vastgehouden. De eenvoud van Small Fruit Song en volheid van Electric Los Angeles Sunset maken dit album tot een klassieker. Op Images worden deze drie platen in hun geheel tentoongesteld.
De afgelopen jaren heeft Ace Records diverse compilaties uitgebracht met werk van producer/arrangeur/liedjesschrijver Dave Hamilton. Een naam die je hierop regelmatig aantrof is die van O.C. Tolbert. Een zanger die gezegend was met een rauwe, gruizige stem die voor de deep soul leek te zijn gemaakt. Hoog tijd voor een eigen bloemlezing en zo is nu geschied. Black Diamond bevat een rijke selectie uit de opnamen die Tolbert in de periode 1968-1988 onder productionele begeleiding van Dave Hamilton maakte. Een grote meerderheid hiervan dateert van de jaren rond 1970. Een veelzijdig zanger was O.C. Tolbert, zo laat deze compilatie horen. De zanger vertolkt hier deep soul, funk en Detroit soul, en ook ontfermt hij zich over enkele gospelsongs. Of hij nu de Heer aanbad of zijn geliefde toezong, O.C. Tolbert zong alles met eenzelfde intense overtuiging en bezieling. Een aanwinst, deze compilatie.
Wil je een indruk krijgen van wat deejay Andy Smith zijn danslustige publiek voorschotelt op een Jam Up Twist avond in The Book Club in Londen, luister dan naar deze compilatie. De van Portishead bekende deejay put gretig uit het rijke aanbod van opnamen uit de jaren vijftig, zestig en zeventig en smeedt de muzikale pareltjes naadloos aaneen. Natuurlijk is de volgorde waarin de songs elkaar opvolgen niet willekeurig. Zoals een goed deejay betaamt, trekt Smith een plan en zorgt hij ervoor dat de avond zich volgens dit plan ontrolt. Jam Up Twist opent met enkele staaltjes jaren vijftig R&B en jump blues (o.a. Wynonie Harris) en voert ons vervolgens langs rockabilly (Al Ferrier), northern soul (Luther Ingram) en ska (The Skatalites).
Salsa mag dan door Cubanen en Puerto Ricanen in New York zijn uitgevonden, nergens is de aanhang zo fanatiek en de muziek zo intens als in Colombia. Discos Fuentes is Colombia’s grootste platenmaatschappij, in 1934 opgericht door Antonio Fuentes aan de Caribische kust. Hier begon hij de lokale muziek op te nemen, en in de jaren vijftig en zestig steeg de populariteit van deze lokale Cumbia naar ongekende hoogten. De ritmes bleven veranderen onder invloed van Cuba en de rest van de Cariben, de New York salsa en Afrikaanse ritmes. Nadat eind jaren zestig enkele Fania grootheden uit New York Colombia aandeden, maakt salsa deel uit van de nationale identiteit. De compilatie varieert van zwoele salsa (van o.a. de Latin Brothers) tot rauwere Cumbia (door Climaco Sarmiento en Pedro Laza) en sluit af met de afro sound van Wganda Kenya, die heel toepasselijk Fela Kuti coveren.
De live archieven van Neil Young gaan weer open en deze keer is de tournee die hij in 1984 en 1985 ondernam aan de beurt. Young heeft net zijn eerste plaat voor Geffen gemaakt en leeft in onmin met deze platenmaatschappij. Volgens Geffen maakte hij geen ‘Neil Young’ platen meer en ze eisten meer rock. Genoeg reden voor Young om met een onvervalste countryband op tour te gaan en zijn album Old Ways te promoten. Met de International Harvesters brengt hij een bloemlezing van dat album en ander countrygetint materiaal, maar wat deze release zo bijzonder maakt is de aanwezigheid van vijf nooit eerder uitgebrachte nummers. Amber Jean is een ode aan zijn pas geboren dochter, Let Your Fingers Do The Walking een fijne honky tonk en Grey Riders is een niet te missen song uit zijn rijke oeuvre In de luxere editie vind je ook het nodige beeldmateriaal van deze tour. Een ware ‘treasure’.
De live archieven van Neil Young gaan weer open en deze keer is de tournee die hij in 1984 en 1985 ondernam aan de beurt. Young heeft net zijn eerste plaat voor Geffen gemaakt en leeft in onmin met deze platenmaatschappij. Volgens Geffen maakte hij geen ‘Neil Young’ platen meer en ze eisten meer rock. Genoeg reden voor Young om met een onvervalste countryband op tour te gaan en zijn album Old Ways te promoten. Met de International Harvesters brengt hij een bloemlezing van dat album en ander countrygetint materiaal, maar wat deze release zo bijzonder maakt is de aanwezigheid van vijf nooit eerder uitgebrachte nummers. Amber Jean is een ode aan zijn pas geboren dochter, Let Your Fingers Do The Walking een fijne honky tonk en Grey Riders is een niet te missen song uit zijn rijke oeuvre In de luxere editie vind je ook het nodige beeldmateriaal van deze tour. Een ware ‘treasure’.
Bay Area bluesman Tommy Castro is al jarenlang een spin in het web van de Legendary Rhythm & Blues Cruise: een lucratieve schnabbel voor vele tientallen blues-, R&B- en roots rockartiesten aan boord van cruiseschepen in het Caribisch gebied en de Golf van Mexico. Onder de naam The Legendary Rhythm & Blues Revue is het concept ook aan land gekomen en in het kader van zijn veertigjarige bestaan brengt Alligator Records nu als opvolger van Command Performance (2008) dit livealbum uit. Hierop begeleiden Tommy Castro en zijn bandleden opnieuw een keur aan hedendaagse bluesartiesten, onder wie Michael Burks, Joe Louis Walker, Monica Parker, Rick Estrin en Theodis Ealey. Zoals Tommy Castro zelf zegt in de liner notes: optreden met The Legendary Rhythm & Blues Revue is als een grote jamsessie en het spelplezier spat er dan ook vanaf.
Al tien jaar verschijnen er van Jeffrey Foucault met regelmaat prachtige platen met zijn unieke songwriter-stijl. Na een duo album met Mark Erelli en een album volledig gewijd aan nummers van John Prine komt Foucault weer met tien eigen nummers. Op Horse Latitudes wist hij een all star bezetting te strikken met Eric Heywood (Pretenders, Ray Lamontagne) op pedal steel; Billy Conway (Morphine, Cold Satellite) op drums, Jennifer Condos (Ray Lamontagne, Sam Philips) op bas en Van Dyke Parks op keyboards en accordeon. Zijn eega Kris Delmhorst verzorgt de backing vocals en cello. Maar centraal staan zijn elegante beknopte americana verhalen die worden gezongen met zijn mooie verweerde stemgeluid, die per nummer anders kan klinken. Spaarzaamheid en ingetogenheid blijven kernwaarden in Foucault’s eigen stijl. Des te opvallender is het daarom dat, net als genregenoten William Fitzsimmons en Josh T. Pearson, nu ook Foucault zijn baard heeft laten staan.
Sommige artiesten komen snel, om even snel weer op te branden. Andere moeten rijpen en leveren pas na jaren hun beste werk af. Singer-songwriter Eliza Gilkyson behoort tot die laatste categorie. Na enkele vroege probeersels begon ze pas eind jaren ’80 serieus platen uit te brengen, maar vooral in de afgelopen jaren leverde ze haar beste werk af. Nu brengt de inmiddels 60-jarige Eliza met Roses At The End Of Time een album uit dat zo mooi in evenwicht is en zulke prachtige liedjes bevat, dat we het gerust tot een hoogtepunt in haar oeuvre mogen betitelen. Ook tekstueel balanceert ze fraai tussen politieke geëngageerde teksten, waar ze vroeger zo in uitblonk, en diep persoonlijke ontboezemingen. Hoogtepunten in dit opzicht zijn de melancholieke ballades Blue Moon Night en Bell Of The Ball. Net als goede wijn wordt Gilkyson’s muziek met de jaren alleen maar beter, ze is de grand cru onder de singer-songwriters.
Eigenlijk hebben we deze volslagen luisterpracht -we verraden het gelijk maar- te danken aan het Britse muziektijdschrift Uncut, dat Gilmore altijd al en overigens zwaar terecht hoog had zitten en zo regelmatig op de maandelijks bijgevoegde cd zet, zéker als die cd een thema heeft. His Bobness was (is én blijft, hopelijk!) vaak de spreekwoordelijk lul, wat natuurlijk een eer is, zowel voor De Neus zelf als de gevraagde artiesten. I Dreamed I Saw St. Augustine in de uitvoering van Thea Gilmore, die zélf overigens en wellicht ten overvloede een excellente singer/ songwriter is, en dus JWH uit pure muziekliefde uit- en opvoert, stond in juni 2002 op deel 1 van deze cd (succes met zoeken alvast!) en hoofdzakelijk de ononderbroken reeds complimenten sindsdien (zelfs van The Boss zélf!), natuurlijk een lange diepe voorliefde voor Bob’s originele album (Gilmore speelt live ook al I Pity The Poor Immigrant) maar vooral Gilmore’s uitnodiging voor het eerbetoon aan de zeventigste verjaardag van Dylan op Celtic Connections in Glasgow, dat in januari dit jaar alvast voorgeproefd werd, als reden aangreep Bob’s Bijbelste album, u weet wel, die na zijn ongeluk (dat speelgoedje op de hoes!) integraal te coveren. Het léf!
Hokie Joint maakt vuige blues in de traditie van The Yardbirds, Them en de vroege Stones met een vleugje Tom Waits en een snufje Howlin’ Wolf. In 2008 verscheen hun debuutalbum The Way It Goes… Sometimes en sindsdien is de vijfkoppige band uit het Britse Colchester een graag geziene act op de Europese bluespodia. Op The Music Starts To Play, opnieuw geproduceerd voor het Nederlandse label Cool Buzz, wordt de eerder ingeslagen weg voortgezet. Dat betekent tien nieuwe nummers lang genieten van de gierende fuzz gitaar van Joel Fisk, de Lester Butlerachtige mondharmonicasolo’s van Giles King en het lekker gruizige stemgeluid van zanger Jojo Burgess.
Eilen (spreek uit al ‘ie-lin’) Jewell is een muzikale duizendpoot uit Boston, die de tricks of the trade leerde als straatmuzikant in Los Angeles. Al sinds haar debuut Boundary County uit 2006 verkent ze traditionele Amerikaanse muziekstromingen, variërend van folk, country en blues tot jazz en rock ‘n’ roll. Haar ‘hobbyproject’ The Sacred Shakers (2008) stond volledig in het teken van de country- en bluesgospel en op Butcher Holler (2010) bracht ze een hommage aan Loretta Lynn. Op Queen Of The Minor Key, alweer haar zevende album, vloeien alle muzikale invloeden samen tot een album dat even gevarieerd als ongrijpbaar is. Van het surfintro Radio City via de old school rockabilly van het titelnummer, de country van Santa Fe en Reckless (horen we daar Busted van Johnny Cash doorheen schemeren?) en het jazzy Only One naar het Tequila-achtige slotakkoord Kalimotxo. Het moge duidelijk zijn: Eilen Jewell laat zich niet in één hokje stoppen.
Uit de albums van Diana Jones blijkt een groot respect voor de Amerikaanse traditie van folk en ‘mountain-ballads’. Dat kom je ook weer tegen op High Atmosphere, een plaat vol songs over de obstakels die het leven soms opwerpt, over het diepe geloof in een beter bestaan.
De sfeer van High Atmosphere is sober en ingetogen. Jones laat zich begeleiden door een klein combo en Jim Lauderdale is in een aantal songs te horen.
Maar het is toch vooral de prachtig beheerste stem van Jones die imponeert.
High Atmosphere is zo’n plaat waarvoor het etiket “ tijdloos” is uitgevonden.
Adembenemend zingt JT Nero, en als hij al vroeg in het eerste liedje van deze plaat een klein lachje loslaat in een zanglijn, weet je dat deze man goed is en bovendien zelfverzekerd. Dat neigt naar de klasse van Van Morrison, al heeft JT meer een priemend stemgeluid. Soulvol is ook de warme tweede stem van Allison Russel (Po' Girl). Dat alles op een prachtig rootsalbum met scheutjes soul en country. Wat een verwennerij! Leuker nog is dat je dit gezelschap in Amsterdam en enkele kleinere locaties in het land van dichtbij kunt bekijken en beluisteren. Aanrader.
Je moet wel lef hebben, om een album vol nieuwe liedjes als live-plaat uit te brengen. Welnu, lef kan de Canadese singer-songwriter Mayes niet ontzegd worden en bovendien slaagt ze glansrijk in haar opzet. Ze krijgt medewerking van een uitstekende elektrische bluesgitarist, wat haar liedjes ook meteen een lekkere bluesrock-sound meegeeft. Er worden dan ook veel up-tempo nummers gespeeld, waar de energie en het enthousiasme vanaf spatten, op tijd afgewisseld met een paar hele mooie ballads.
Zo langzamerhand kunnen we vriend Matt Schofield als een zeer betrouwbare kracht in het bluesveld betitelen. Regelmatig komt hij met een nieuwe cd die niet verrassend maar altijd wel van topkwaliteit is. Met Anything But Time is het niet anders, met zijn bluesvorm die dichter bij Robe Ford dan Walter Trout of Joe Bonamassa ligt dient Schofield zich met elke song meer en meer aan als de opvolger van diezelfde Ford. Proof of the pudding in dit genre zijn de uitvoeringen van de slow blues songs, en die zijn dik in orde met See Me Through en Where Do I Have To Stand, lange lekkere tracks waar de ellende vanaf druipt, zoals het hoort. Daartussen fijne uptempo blues waar een mens wellicht nog steeds niet vrolijk van wordt maar stiekem toch wel, dat hartzeer zo lekker kan klinken. Ik heb altijd tijd voor Matt!
Het is snel gegaan met Steven Gene Wold, alias Seasick Steve. Dankzij regelmatige optredens in Later With Jools Holland werd hij wereldberoemd in Engeland en ook in Nederland gaat het lekker met de inmiddels 70-jarige Amerikaanse hobo/bluesman: toen hij in 2009 wegens overweldigende belangstelling van de kleine naar de grote zaal van Paradiso moest verhuizen, verkocht hij ook die moeiteloos uit. You Can’t Teach An Old Dog New Tricks is zijn zesde album sinds 2004 en het eerste bij het Nederlandse PIAS. Hoewel de ‘Three String Trance Wonder’ (een krakkemikkige gitaar met drie snaren), de ‘One-Stringed Diddley Bow’ (een bezemsteel met één snaar) en de ‘Mississippi Drum Machine’ (een kistje dat als basedrum dient) nog steeds aanwezig zijn, wordt Steve hier bijgestaan door een heuse band die zijn rauwe, ongepolijste bluesnummers net wat meer cachet geeft dan voorheen. Niet teveel gelukkig, want Seasick Steve is en blijft een zwerver en een straatmuzikant.
The Shiner Twins staan al enige tijd aan de top van de Nederlandse roots-scene en zullen daar met hun derde plaat Four Souls One Heart nog wel even blijven. Helaas is één van de vier zielen heengegaan, bassist Dick Wagensveld overleed kort na de opnamen aan een hartstilstand. Op de een of andere manier hangt die gebeurtenis als een schaduw boven de nieuwe plaat. Niet dat Four Souls een deprimerend album is geworden, zeker niet. Maar songs als The Last Time waarin zanger Jack Hustinx zich afvraagt wanneer het de laatste keer was dat jij tot Jezus hebt gesproken, krijgen nu wel een bijzondere lading. Muzikaal hebben de Twins alles weer prima de luxe op orde op hun deels in Utrecht en deels in de Texaanse studio van Willie Nelson opgenomen plaat. Verwacht geen schokkende wending in deze carrière, eerder geleidelijke vooruitgang op de eindeloze dirt road van de americana.
Voor haar nieuwe album toog de 28-jarige Sproule naar haar geboortestad Toronto, alwaar producer Sandro Perri met The Silt op de proppen kwam als backing band. Dat blijkt een erg gelukkige keuze te zijn. Het trio uit Toronto is niet alleen bekwaam op de meer traditionele instrumenten, maar maken ook veelvuldig gebruik van trombone, basklarinet, fluit en analoge synthesizers. Het geeft ze een heel eigen geluid, dat wonderwel aansluit op Devon’s nieuwe liedjes. Prachtige, soms jazzy arrangementen, doen dit album uitstijgen boven de gemiddelde Americana en roepen eerder associaties op met Joni Mitchell’s sleutelplaat Blue. Dat komt ook door de grote eerlijkheid waarmee Devon de vaak zeer persoonlijke teksten weet te vertolken. Dat maakt van het titelnummer een van Devon’s allermooiste liedjes, zeker door haar prachtige breekbare zang. Ook de twee covers, waaronder Runs In The Family van The Roches, zijn zeer goed gekozen en dragen bij aan een album waarmee Sproule het verdient naar een groter publiek door te breken.
Deze cd is een bijzonder begin van een project van Chip Taylor. Rock & Roll Joe is een muzikaal project waarin aandacht wordt geschonken aan geweldige maar helaas onbekende musici, producers, mannen achter de schermen etc. uit de rock’nroll geschiedenis. Het is de bedoeling dat deze cd een sneeuwbal is: dat meerdere grote artiesten meedoen en hun eigen onbekende helden hierdoor aandacht krijgen. Chip Taylor doet dit op een muzikaal flitsende en soms zeer ontroerende manier met een zeer goede begeleidingsgroep met o.a. de geweldige gitarist John Platania. Taylor eert ze niet d.m.v. covers maar d.m.v. goede nieuwe songs waarin hij de helden op verschillende wijzen eert.
Met Guy Clark en Townes Van Zandt als belangrijkste inspiratiebronnen en Austin, Texas, heeft Owen Temple weinig unique selling points, maar wie warmloopt voor een goede, doorleefde stem en fraaie, verhalende liedjes zal geen spijt krijgen van het beluisteren van Mountain Home. Met hulp van lokale bekendheden als Charlie Sexton, Bukka Allen, Tommy Spurlock en Adam Carroll heeft Owen Temple namelijk een prima plaat gemaakt. Het is dan ook de hoogste tijd dat deze vakkundige liedjessmid die al een heel rijtje albums op zijn naam heeft staan, eindelijk een wat breder publiek gaat bereiken.
Singer-songwriter Thibaud zingt met evenveel gemak melancholieke ballads als lekker swingende rootsrock. Bovendien is de man een gedreven entertainer, reden genoeg voor de organisatoren van Rockpalast om Todd met zijn band op hun Crossroads Festival te laten spelen. Deze dubbelcd bevat het complete concert, zodat wij ook kunnen genieten van dit uiterst geanimeerde optreden. Een prima manier om met Thibaud’s muziek kennis te maken, en je krijgt er ook nog de DVD van het concert gratis bij.
Het eerste deel zag bij zijn zestigste verjaardag het levenslicht, en nu het fenomeen zeventig is volgt deel twee. Zestien Dylan klassiekers worden onder handen genomen door artiesten van het Red House label. Folk- en countryrockers als Jimmy LaFave, Lucy Kaplansky en oudgedienden Hot Tuna (met Jorma Kaukonen in de gelederen) brengen fraaie, veelal akoestische versies uit alle periodes van Bob’s carrière. Zelfs een nummer van Self Portrait!
We leerden hem kennen als frontman van de americana-band Richmond Fontaine, maar sinds een jaar of vijf verschijnt er ook werk van Willy Vlautin in boekvorm. De Ruwe Weg is zijn derde roman en ditmaal ook simpelweg uitgegeven door onze eigen Nijgh & van Ditmar. Net als in zijn songteksten tekent Vlautin in zijn nieuwste boek op sprekende wijze de onderkant van de Amerikaanse samenleving op. Hoofdpersonage is de vijftien-jarige Charley Thompson. Hij heeft geen moeder in zijn leven en van zijn vader hoeft hij het evenmin te hebben. Hij vind een baantje op de plaatselijke renbaan bij de geslepen paardeneigenaar Del en leert zo Lean On Pete kennen. Het is een van Del's renpaarden, maar Pete is echter op z'n retour. Als het paard rijp is voor de slacht, neemt Charley met hem de benen en gaat op zoek naar zijn tante. Al heeft hij haar al jaren niet meer gezien is zij de enige die hem hopelijk een stabiel leven kan bieden. De omgeving en personages die Willy Vlautin zo treffend omschrijft komen tot leven, zodat het niet moeilijk is in Charley's belevenissen op te gaan.
Het is alweer tien jaar geleden dat drie Canadese zangeressen voor het eerst samen optraden in een muziekwinkel in het Canadese Winnipeg. Het had een eenmalige gebeurtenis zullen zijn, maar de chemie tussen Cara Luft, Nicky Mehta en Ruth Moody was zo groot dat The Wailin’ Jennys het logische gevolg waren. Twee studioplaten en een live-album verder is het trio helaas nog steeds niet zo bekend als je op basis van hun prachtige traditionele muziek zou mogen verwachten. Voorlopig hoogtepunt is deze nieuwe plaat, Bright Morning Stars, die overzees al wat langer uit is. Annabelle Chvostek, die op het vorige album Cara Luft verving, heeft op haar beurt plaatsgemaakt voor Heather Masse, maar de hemelse samenzang lijdt daar op geen enkele manier onder. Het is die samenzang die The Wailin’ Jennys net even anders doet klinken dan geestverwanten als Alison Krauss en Gillian Welch. Een plaat en een band om te koesteren.
Onder de naam Crowdpleaser wist dj Gregor Schönborn een reputatie op te bouwen binnen het clubcircuit van zijn eigen Zwitserland. Op het Turbo-label van Tiga verschijnt nu zijn eerste langspeler. Daarop horen we hoofdzakelijk deephouse met vocalen van Schönborn zelf en Wamian Kaid (van Afrobeat). Klinkt soms doordacht en spannend, maar helaas verslapt de aandacht ook weer vanwege de lange speelduur en voorspelbaarheid van enkele tracks.
Scott Monteith alias Deadbeat uit Montreal laat al vanaf 2000 een speciale mix horen van Electronische Minimal en Dub. Zijn voorgaande werk is wat meer club gericht maar af en toe is er ruimte voor wat meer experimentelere projecten zoals voor de albums die hij maakt voor het Duitse label ~scape. Op dit album, dat is uitgegeven op zijn eigen label genaamd BLKRTZ, staan vijf nieuwe nummers inclusief een nieuwe take van zijn Vampire EP met medewerking van David Koch, AKA DeWalta. Drawn en Quartered laat je weg zinken in een dub van soundscapes en spaarzame lichte beats. Elke trip duurt minimaal 10 minuten, waarbij de haltes ongemerkt aan je voorbij gaan en je geen zin hebt om halverwege uit te stappen. Scott laat horen dat het af en toe goed voor je oren is , om je te laten onderdompelen, in bad vol met warme sounds.
Bij de eerste klanken van GusGus wordt je meteen meegesleept naar een verlaten lavaveld, een desolate plek ergens in het vulkaanlandschap van IJsland. Dat is de plek waar hun achtste album Arabian Horse is opgenomen en gevormd.
De analoge synths, die neigen naar commerciële trance, zuigen je mee de diepte in. Maar vergis je niet, dit is geen dertien in een dozijn, dit is een vakkundige mix van soul-techno, classic-house, dance en pop, zonder retro te klinken. De werkelijk uitstekende vocalen van Urður "Earth" Hákonardóttir en Högni Egilsson, de mooie filmische strijkarrangementen van Samúel Jón Samúelsson, gecombineerd met zware techno basslines en zelfs vage flarden zigeuner muziek, zorgen tien nummers lang voor een sterke variatie. Sinds de terugkeer van de originele GusGus bezetting op het album 24/7 zijn de heren helemaal terug en balanceren als geen ander tussen pop en underground dance. Dit album is uiterst dans -en luisterbaar waarin het geluid van nu op veel vlakken schitterend samenkomt.
Dj/producer Paul Kalkbrenner is iemand die op geniale wijze een nummer kan opbouwen. Zijn stuwende constante beats en subtiele minimalistische sounds hebben iets bezwerends en kunnen je heerlijk in een flow brengen. Zijn voorgaande album, Berlin Calling, uit 2008 is hiervan het absolute hoogtepunt en zorgde zelfs voor een hit met het nummer Sky and Sand. Icke Wieder ligt in dezelfde lijn al duurt het deze keer wat langer voordat het verwachte niveau gehaald wordt. Het klinkt allemaal wat frisser met hier en daar een losse repeterende gitaarriff en een vrolijk klinkend blazers combo. Het is zoals PK zelf over dit album zegt, niet vernieuwend maar gewoon " just like the old day's " en dat is meer dan genoeg voor heerlijke muziek voor zowel thuis, de dansvloer of nog beter op een van de komende zomer festivals.
Na twee fijne releases met de soul-azz van SK Radical is dit het
eerste soloalbum van de Engelse saxofonist Sean Khan. Ook dit album
bevat elementen uit de soulmuziek en dan met name in de vocale nummers
maar de balans slaat vooral door naar klassieke jazz in de
instrumentale tracks. Hierin hoor je Sean Khan gepassioneerd verwijzen
naar Coltrane, Henderson, Parker en Shorter, niet de minste dus. In El
Presidente horen we dat Sean Khan ook met Zuid-Amerikaanse ritmes goed
uit de voeten kan. En dat is eigenlijk de kracht van dit album waarbij
bruggen geslagen worden tussen jazz en soul met reflectie op de tijd
waarin we nu leven. Dit komt het beste naar buiten in What Is Jazz?,
een spoken word essay over waar jazz vroeger voor stond en waar het nu
naar toe gaat. Met verder nog een wonderschone cover van Stevie
Wonder’s Golden Lady maakt Slow Burner tot dynamische debuutplaat.
De Fransman Kid Loco werd ruim tien jaar geleden bekend door een zeer geslaagde aflevering in de DJ-Kicks-serie van het !K7-label. Enkele jaren later volgde het net zo fijne Another Late Night. Tel daar samenwerkingen met Jarvis Cocker en Mogwai bij op en je mag spreken van een behoorlijke status met muziek in de stijl van landgenoten Air. Op dit nieuwe soloalbum zingt hij verdienstelijk een paar zoetsappige liedjes, maar die halen het helaas niet bij zijn vaardigheden als dj.
Moby, tsja Moby… Het Feyenoord van de dancemuziek, al jaren op zoek naar de juiste vorm.. Na zijn geniale debuutplaten is het eigenlijk nooit meer echt goed gekomen met Moby en vooral nadat hij zijn hele plaat Play aan Pepsi had verkocht nam niemand hem eigenlijk meer echt serieus. Nachten lag hij wakker op hotelkamers en daar componeerde hij Destroyed. Het openingsnummer is meer dan veelbelovend te noemen, want The Broken Place brengt je terug naar de begindagen van minimal techno en überrelaxte beats! Zou Moby dan toch??? Be The One en Sevastopol klinken ook lekker, maar als het getormenteerde meisje (The Low Hum) om de hoek komt zetten, krijg ik toch spontaan acne! En dus is Destroyed een hoopvol album, hopelijk op weg naar betere Moby-tijden, want het was mijns inziens (te) lang geleden dat Moby iets lekkers uit zijn pen heeft laten rollen…
Christian Prommer (VoomVoom, Trüby Trio)) & Alexander Barck (Jazzanova). Zeer interessante kruisbestuiving. Mellow dance versus techno genereert Deep Kraut (volgens de heren). Volgens Duits Reinheitsgebot gecomponeerd, dat wil zeggen: verfijnde ritmes, prachtige fills, relaxte vocalen, oog voor ruimte in de tracks; zo’n plaatje dat je in een ruk uitdraait en waarbij je hoofd blijft bewegen in een prachtige flow. Alex And The Grizzly is een voorbeeld van hoe het moet; vijf sterren uit vijf!
Als een van de oprichters van The Beat Junkies in 1992 heeft J. Rocc al een behoorlijke staat van dienst, maar Some Cold Rock Stuf is toch echt zijn debuutplaat. Opener Rocchead’s Delight is een eerbetoon aan De La Soul’s eersteling om vervolgens door te gaan met turntalism van het hoogste niveau. Veel jazzy beats (Stop Trying), maar ook feestelijke mixen (Party). Liefhebbers van Dj Shadow, Dilla en Madlib kunnen dit fraai vormgegeven Stones Throw pakket blind aanschaffen. Inclusief mystery disc met nog veel meer lekkers.
Het is een flinke kluif om de muziek van Amon Tobin te beschrijven en te recenseren. De Braziliaan neemt het niet zo nauw met genres en hokjes. In zijn ruime catalogus kun je verdwalen in beats, soundscapes en industriele sferen. De drum 'n bass die zijn oudere werk bevat is door de jaren zo goed als verdwenen, maar de geluiden blijven onmiskenbaar Tobin, herkenbaar uit duizenden. Isam zit als altijd razendknap in elkaar. Honderden samples (waaronder ditmaal veel insectengeluiden) worden dusdanig bewerkt en gecomponeerd totdat er spannende collages ontstaan waar amper een (ritmische) structuur in te ontwaren valt. Verontrustend gezoem, diepe bassen, galm en echo's knallen door je speakers. Dat dit geen gemakkelijke plaat is is een understatement, maar de eigenzinnige vogel uit het Ninja-Tune-kamp heeft wel een razendknappe trip afgeleverd waarin je flink de weg kwijt kunt raken.
Late Night Tales draait als serie al een tijdje mee en weet inmiddels ook ‘artiesten die er toe doen’ te strikken voor een compilatie van hun favoriete plaatjes voor in de late uren. Het leuek van deze serie is dat de betreffende artiest, Trentemoller in dit geval, ook altijd een of twee exclusieve nummertjes tussen de plaatjes stoppen. Trentemollers keuze is een interessante, want daar waar je zou verwachten dat je met allerlei varianten van de dancemuziek geconfronteerdzou worden, zijn het juist bands als This Mortal Coil, Kid Congo (prachtig trouwens!), The Black Keys, Velvet Undergound en bijvoorbeeld Mazzy Star die de revue passeren. Trentemoller’s Blue Hotel (een remix van Nick Cave) is een fijne track, die als een trage dieseltrein op stoom komt. Late Night Tales, door Trentemoller verteld, is een mooie donkere soundtrack voor het slapen gaan en geeft een verrassende kijk in de muzikale liefdes van deze Deen.
Gabor Schablitzki is de man achter Robag (‘Gabor’) Wruhme. Deze Duitser is al enkele jaren werkzaam in de obscure hoek van de dancemuziek en oogstte veel lof met zijn Wighnomy Brothers. Thora Vukk is wel degelijk dansbaar, maar vooral op afterparties is het een welkome chillout: relaxte schuifelende electronische beats en heerlijk repeterende hihats. Of zoals Gabor het zelf zegt: ideaal voor de slaapkamer, maar dan wel met een koptelefoon op!
Goede verhalenvertellers zijn dun gezaaid binnen de hiphop vandaag de dag. Een van de uitzonderingen op deze regel is Slug van de formatie Atmosphere. Al meer dan een decennium bewijst deze rapper een buitengewoon getalenteerd schrijver te zijn. Op eerdere albums beschreef hij vooral zijn eigen turbulente leven en de worstelingen daarmee. Vol humor en zelfspot wist hij hiermee volgers over de gehele wereld te genereren die zich konden vereenzelvigen met zijn teksten. Bijgestaan door vaste producer Ant leverde dit pure kwaliteit op, met When Life Gives You Lemons You Paint That Shit Gold (2008) als voorlopig hoogtepunt.
Ook op The Family Sign zijn de lyrics weer met een gouden pen geschreven, zij het dat ze minder introspectief zijn en minder verbitterd. Over opvallend muzikale, spaarzame beats van Ant weet Slug het hele album te boeien. Liefhebbers van Sage Francis en Spearhead moeten deze positieve plaat zeker checken. Het label Rhymesayers levert wederom kwaliteit af. Emo-rap in haar puurste vorm.
In het begeleidende schrijven staat onder meer dat Perry de Rolling Stones op het juiste spoor heeft gezet. Wat lichtelijk overdreven is, maar niets afdoet aan zijn cruciale rol in de geschiedenis van de moderne muziek. Na baanbrekend werk als producer in de jaren zeventig wierp Perry zich op een lange reeks samenwerkingen met anderen. Ditmaal is Bill Laswell zijn muzikale kameraad. Een logische combinatie, Laswell heeft ook zijn sporen verdiend als producer van moderne dub. Op deze plaat houdt hij zich relatief in. Geen supersonische experimenten, maar laidback reggae met verwijzingen naar de Ark, waarover Perry zijn onnavolgbare teksten zingzegt. Perry laat zich daarbij bijstaan door Ejigayehu ‘Gigi’ Shibabaw, Tunde Adebimpe van TV on the Radio en toaster Hawkman. Muzikaal leveren veteranen Sly Dunbar en Bernie Worrell van Parliament/Funkadelic bijdragen. Dat geeft al aan dat hoewel reggae de grondtoon levert, deze exercitie muzikaal veel breder gaat.
Met zijn debuut Leman wist Blick Bassy behoorlijk wat oren op zich gericht. Voor zijn tweede album pakt hij dan ook groots uit. Hoewel door hemzelf volgeschreven, neemt hij de luisteraar mee op een muzikale ontdekkingstocht vanuit zijn vaderland Kameroen naar Brazilië. Onderweg wordt er gestopt in Benin, Senegal en de Kaapverdische Eilanden, waar hij de muziek van elke plaats moeiteloos samen laat smelten met zijn eigen akoestische sound zoals we die van zijn debuut kennen. Zijn soul stem, die door de hoge klank af en toe zowaar aan Smokey Robinson doet denken, brengt in net zoveel talen als er landen wordt aangedaan het verslag van ontmoetingen en andere belevenissen on the road. Met Richard Bona, Lenine en de accordeonist Regis Gizavo op de gastenlijst wordt de diversiteit nog eens onderstreept, maar in de Malinke uit Senegal, de Saudade uit Kaapverdië en de Tropicalia uit Brazilië komt altijd het warme jazz getinte geluid van Blick Bassy tot zijn recht.
Chantre is een gitarist uit Kaapverdië, wiens songs reeds werden opgenomen door de muzikale koningin van de eilanden Cesaria Evora. Zijn eigen muziek blijft nog dichter dan die van Evoria bij de basisregels van de Morna en de Coladeira, de basisstromingen waaruit alle Kaapverdische muziek is ontstaan. De begeleiding blijft, behalve zijn eigen akoestische gitaar, bij de meest noodzakelijke percussie, slechts hier en daar verrijkt met accordeon. Vokaal is het onbestemd verlangen altijd aanwezig in de Kaapverdische muziek, wat bij Chantre niet anders is, ondanks zijn bijna fluisterende stem. Zeker niet zo toegankelijk als zijn beroemde vrouwelijke collega, maar voor de fijnproever een heerlijk album om bij naar de horizon te staren.
Basta records is éen van die zeldzame labels die nog diep in de zee op zoek gaat echte pareltjes en daar vervolgens ook nog eens met veel liefde en respect mee omspringt. De aanpak lijkt enigszins op die van het Smithsonian Folkways label. Op het Amsterdams Conservatorium leert Gert-Jan Blom de Italiaanse gitarist Alberto Mesirca kennen. Hij laat hem kennis maken met de Haitiaanse componist en gitarist Frantz Casséus, die weer de leraar was van Marc Ribot die op zijn beurt in 1993 een album uitbrengt met zijn composities. Alberto wordt getroffen door de verstilde pracht van de stukken die sterke verwantschap tonen met het werk van veel bekendere meesters als Luiz Bonfa en Carlos Paredes. Het is dan ook geen toeval dat ze alledrie in ongeveer dezelfde periode hun beste werk opnamen: van begin jaren vijftig tot eind jaren zestig. Op deze voortreffelijke cd staan maar liefst 37 composities geschreven vanuit zijn Haitiaanse roots, maar met een universeel gevoel voor klank en harmonie. Tranquillizer van het jaar!
Dat de Amerikaanse Maffia naar goede jazz luisterde en later naar Dean Martin, Frank Sinatra en de rest van de Rat Pack weten we allemaal. Maar Bugsy Siegel, Dutch Schultz en de grootste boef van allemaal, Meyer Lansky, konden dat Italiaanse feest vast niet waarderen en hadden hun eigen Jiddische entertainment. Dat is het idee achter Kosher Nostra, een bonte verzameling van de hand van hippe Balkan Beats specialist Shantel en grafisch artiest Oz Almog, verantwoordelijk voor het prachtige boekwerk. Uiteraard veel swing met een tikje klezmer of anderszins Joodse inslag, zoals we kennen van bijvoorbeeld The Andrews Sisters (Bei Mir Bist Du Schon). Maar wie had kunnen denken dat ook Tom Jones een prachtige versie van My Yiddishe Mamme gedaan had, terwijl nota bene Connie Francis maar liefst drie keer voor een hoogtepunt zorgt. Absoluut vermeld dient te worden de aanwezigheid van een vocale, deels Jiddisch gezongen versie van Misirlou van niemand minder dan Chubby Checker. U Houdt van verrassingen? Verplichte aanschaf!
Met dit derde deel hervat Strut zijn zoektocht in de jaren zeventig scene van Nigeria. De olievondsten zouden later tot conflicten leiden, maar waren in die jaren nog verantwoordelijk voor een positieve sfeer en de intocht van veel Westerse invloeden. De funk van Miles Davis, Sly Stone en James Brown zorgden voor een impuls in de Juju en Highlife muziek van Admiral Dele Abiodun en Soki Ohale, om maar een paar grootheden te noemen. Een aantal namen, Chief Ebenezer Obey, Bola Johnson, zouden ook enige internationale faam vergaren, maar over het algemeen is dit een kennismaking die we niet hadden willen missen.
Door Time Magazine wordt hij gezien als de grootste popster van de Islamitische wereld van dit moment en de bekendste Britse moslim ter wereld. Hij is groot in Turkije en Egypte en wordt gezien als een muzikaal genie. Hij speelt vrijwel alle instrumenten zelf, componeert, arrangeert en produceert, terwijl ook nog eens begaan is met het lot van de wereld. Voor zijn laatste single In Every Tear, He Is There nam hij een clip op in o.m. Port Au Prince en Kaapstad en vraagt de wereld om steun voor hen die het moeilijk hebben. Wherever You Are is opnieuw een fraai en persoonlijk album van deze wereldster. Wat moeten wij hier nog aan toe voegen?
Opgenomen in december 2009 in Argentinië speelt AC/DC een strak degelijk concert. Tijdens de ‘Black Ice’-toer deed de band ook Zuid-Amerika aan en zo langzamerhand weet iedereen dat deze fans vrij fanatiek zijn. Wie de overzichtsbeelden van het stadion ziet van de deinende menigte kan alleen maar dromen om ooit voor zo’n publiek te spelen. Fantastisch! Muzikaal is de band prima in vorm en zelfs Brian Johnson lijkt sterker bij stem te zijn dan ooit. Hij gromt en krijst als in zijn beste tijd. Phil Rudd bewijst nog maar weer eens waarom hij de beste drummer voor de band is. Op de setlist een handjevol nieuwe nummers en voor de rest klassiekers. Beeldtechnisch is deze dvd mooi vormgegeven met splitscreens, overzichten en meer trucs die de vreugde verhogen. Als extra de bekende achter de schermen reportage en introtekenfilm. Daar hoeven we het dus niet van te hebben. Het is het concert wat telt en dat zegt genoeg!
De Schotse heren van Alestorm blijven hun voorliefde voor slechte priatengrappen ook op het derde album voortzetten. Het heeft natuurlijk iets komisch, piraten-metal. Maar het betekent ook losbandigheid en feest. En dat daarmee moeten de serieuze metal-riffs van Alestorm constant mee strijden. De ene keer werkt dat lekker (Shipwrecked) de andere keer lijkt de band de plank mis te slaan. Grof gezegd plakt de band luchtige en vrolijke melodieën tegen rappe thrash metal aan, hier en daar afgewisseld met heavy metal riffs. En vooral dat laatste zorgt voor een grote potentiële doelgroep. Een groep die de band gaandeweg steeds beter weet te bereiken. Niet in de laatste plaats haar live-optredens. En Alestorm biedt liefhebbers van folk-metal in ieder geval mooie afwisseling op de pagan-thematiek.
De Finse metalformatie Amorphis heeftdoor de jaren heen al een flinke fanbase opgebouwd. Zowel in de underground als de mainstream hebben zij flink huisgehouden en al vele uitstekende albums afgeleverd. Het is daarom niet verwonderlijk dat men reikhalzend uitkeek naar het tiende album, The Beginning Of Times. Het album heeft als thema het mythologische verhaal over de legendarische Finse held Väinämöinen, god van de poëzie, liederen en magie. Inhoudelijk is het album zeer geslaagd en muzikaal is het allemaal dik in orde. Het mist alleen de scherpe randjes en de duister kant van het sterke album Am Universum. Het is deze keer allemaal wat lieflijker, zoals de rustige instrumentale intro´s die bij elk nummer terugkeren. Toch blijft het een spannende epische reis dat een boeiend en krachtig epos oplevert. De melodieën zijn dan ook van een absolute schoonheid op deze sterke metalplaat. Loistelias!
Anaal Nathrakh is een zeer luidruchtig en keurig Brits duo dat de taken al jarenlang naar volle tevredenheid heeft verdeeld. Zanger V.I.T.R.I.O.L. zingt en multi-instrumentalist en programmeur Irrumator speelt, produceert en arrangeert. Het levert al zes platen een unieke combinatie op van onstuimige, beenharde, megasnelle, licht industriële en geweldige black metal en grindcore. En op Passion is die muziek wederom dik en dik in orde. De nummers lijken in eerste instantie maniakale soundscapes uit een donkere martelkamer, maar ze hebben een gruwelijke kop en een dodelijke staart met ijzingwekkende riffs waar Emperor zo nu en dan jaloers op zou zijn. Overigens bedoelen de heren met de titel Passion niet de roomzachte betekenis van hartstocht, maar de oud-Griekse en oorspronkelijke betekenis: lijden. En dat hebben ze gedetailleerd en intens muzikale vorm gegeven.
Velen hebben niet durven dromen dat Autopsy nog eens uit het graf zou herrijzen, en al helemaal niet dat er ook nog eens nieuw werk zou gaan verschijnen van Chris Reifert en z'n gevolg.
Waar hun eerste twee albums regelrechte klassiekers zijn in de deathmetal, werden platen nummer drie en vier minder goed ontvangen, waarna de band werd opgeheven. Door de jaren heen heeft Autopsy een behoorlijke cultstatus gekregen en werd vooral Severed Survival de hel in geprezen. Hooggespannen verwachtingen voor de nieuweling.
Wanneer de eerste doodsrochels klinken is meteen duidelijk dat Autopsy aan smerigheid en intensiteit niets heeft ingeboet.
Net als op de eerste platen worden op Macabre Eternal moordende tempo's afgewisseld met loodzware trage stukken die voor een duistere sfeer zorgen. Alle ingrediënten van weleer zijn aanwezig en de liefhebber van het oude werk kan gerust zijn. Macabre Eternal blinkt uit doordat het een plaat van nu is maar evengoed uit de jaren tachtig had kunnen stammen.
Voor de lezers die het nog niet wisten, Black Country Communion combineert de talenten van Glenn Hughes, Joe Bonamassa, Derek Sherinian en Jason Bonham. Waren er veel mensen die dachten dat de eerste plaat een ‘one off’ was, het tegendeel is waar aangezien er in een zeer korte tijd een nieuwe plaat is met de fantasierijke naam 2. Getuigt de titel van weinig creativiteit, de plaat des te meer! Opnieuw neemt Hughes het merendeel van het schrijfwerk en vooral het zangwerk voor zijn rekening, Bonamassa wilde vooral spelen en niet nog meer zingen. Het heeft geresulteerd in een prachtige consistente, klassieke heavy rockplaat. Sherinians toetsen hebben meer ruimte gekregen en het lijkt alsof de band nog beter klikt. Om er een beste track uit te lichten, lijkt onmogelijk maar Bonamassa’s The Battle For Hardrian’s Wall verdient speciale aandacht. Het heeft een Zeppelin-feel over zich die wel meer nummers op de plaat kenmerkt. Zo was Save Me in aanzet een nummer van Bonham voor de Zeppelin-reünie. Hughes klinkt als vanouds en lijkt zich als een vis in het water te voelen. Als ik zestig ben, hoop ik nog zo tekeer te kunnen gaan. Opnieuw een klasseplaat dus en het moet gek lopen als deze band niet groot wordt in rockland.
Hoewel Def Leppard veel livewerk als b-kant uitgebracht heeft, is het in hun lange carrière van een liveplaat nooit gekomen. Tot nu dan. Mirrorball koppelt een flink portie livenumers aan drie nieuwe studiotracks. De livetracks zijn opgenomen tijdens de toernees van 2008 en 2009 en klinken fantastisch. Nu zijn de concerten van Def Leppard erg goed maar soms klinken de nummers hier wel erg perfect, er zal hier en daar dus vast wel wat gesleuteld zijn. Het doet echter niets af aan de vreugde aangezien er ook nog wel wat rauwere randjes terug te vinden zijn (Animal). Alle grote successen komen voorbij en het valt daarbij op hoe lekker die nummers nog steeds klinken maar ook wat een feest van herkenning ze zijn. Van de drie nieuwe tracks klinkt Undefeated echt als Leppard, geeft Kings Of The World de liefde voor Queen weer en Is It’s All About Believing een wat modernere track. Mirrorball is samenvattend een heerlijk plaatje geworden dat bovendien ook nog eens op dvd verschijnt.
Lemmy is een documentaire geworden over Lemmy. Die van Motörhead dus. De documentaire geeft het leven van Lemmy weer. Niets luxe rocker maar gewoon eigen frietjes bakken, eigen rommel opruimen, alhoewel dat in zijn appartement niet vaak gebeurt en gewoon eigen platen kopen. (The Beatles!) Dat zijn dus alleen nog maar de eerste vijf minuten. Lemmy, de film dus, is een aaneenschakeling van fragmenten van de meester zelf en vooral de belevenissen van anderen met de godfather. De docu trekt aan je voorbij zonder dat je er erg in hebt en de kleine twee uur zijn zo voorbij. De bonussen die deze uitgave meekrijgt zijn nu eens wel de moeite waard. Zo vinden we naast een flink portie livewerk een sessie terug met Metallica en materiaal over de eerste line-up met Philty Phil en Fast Eddie, zijn 50ste verjaardag en diverse outtakes. Ronduit grappig is The Sweet Side Of Lemmy waarin diverse bekenden een boekje open doen over de ‘stoere’ man. Lemmy 49% Motherf**ker. 51% Son Of A Bitch, want dat is de ondertitel, is een (h)eerlijke documentaire geworden.
Met het nieuwe album van dit gezelschap uit Florida lijken alle snelheidrecords te worden gebroken.
Er wordt werkelijk bijna nergens gas teruggenomen en de plaat jaagt als een tornado door de luidsprekers. Tel daarbij op dat de productie buitengewoon goed is en dan heb je een van de beste death metal platen van dit jaar. Zanger/gitarist Erik Rutan, de we kennen van o.a. Morbid Angel is goed op dreef. De drums van Jade Simonetto klinken als machinegeweren, wat een geweld!
Prijsnummer Thorns of Acacia kent een van de meest aggressieve gitaarriffs ooit en de refreinen zijn zelfs zeer pakkend. Ook het nummer Haunting Abound is van zeer hoog niveau. The Art of Redemption heeft de meest krankzinnige gitaarintro die je kan bedenken. Al met al zal Phoenix amongst the Ashes de geschiedenis ingaan als het beste werk van de band en zelden klonk een metalband zo bruut en geschift als Hate Eternal.
Karma To Burn, ooit begonnen als een traditionele stonerrockband, komt na een lange afwezigheid sinds de reünie alweer met de tweede prima, niet-traditionele plaat terug. Ja, de fuzzbass gaat weer tekeer en de riffs vliegen je om de oren maar er zijn twee grote verschillen met de concurrenten in dit veld. Ten eerste bevatten de songs een onbedwingbare groove waardoor je wel mee moeten headbangen, zelfs de heupen van de meest verstokte antidanser gaan helemaal los. En ten tweede, er zitten drie vocale tracks tussen de vijf instrumentale songs met als uitschieter de Black Sabbath Cover Never Say Die. Oh ja, nog een verschilletje, één track bevat zelfs een gitaarsolo (en nog een goede ook) en dat is not done in deze scene. Die afwijkingen blijken voor K2B wel prima te werken waardoor je V veel meer dan vijf keer zal beluisteren.
Oorspronkelijk uitgebracht in 2001 werd Last Fair Deal Gone Down de doorbraakcd voor de Zweedse sombermannen van Katatonia. Na tien jaar is op de remaster van dit magistrale album goed te horen waarom: alle invloeden van (vooral) Paradise Lost, Anathema en een aardige scheut Type O Negative kwamen samen in elf afwisselende maar allemaal puike songs. Ook na een decennium staan die songs nog steeds als een huis door de sterke composities en de klagende zang met jengelende gitaren die alle gevoelige snaren in een metalhart weten te raken. De remaster komt in een mooi mediaboekje en een ietwat teleurstellende bonus cd met maar vier extra (wel mooie!) songs, waarom niet nog wat live-opnames erbij gedaan? Desondanks geldt: als je deze cd nog niet hebt dan is nu de tijd om een essentieel onderdeel van de gotische doommetal aan te schaffen.
Mayan is het project van Mark Jansen, de gitarist en grunter van Epica. Hij sloot hiervoor een pact met gitarist Frank Schiphorst en toetsenist Jack Driessen. Gedrieën hebben zij de muzikale basis gelegd van debuut Quarterpast die bestaat uit een dikke laag ruwe oermetal waarin de gezwollen keyboards van Driessen in prachtige patronen zijn geïnjecteerd. Vanuit die basis worden uitstapjes gemaakt naar melodieuze death- en blackmetal, progrock en traditionele heavy metal. En vanzelfsprekend is symfonische bombast en zelfs pure klassieke muziek het domein van Mayan en alom aanwezig. Voor de vocale invulling hebben Jansen en Driessen hulp gevraagd en gekregen van Simone Simons (Epica), Floor Jansen (ex-After Forever, Revamp), Henne Basse (Sons Of Seasons) en operazangeres Laura Macri. Bij de eerste beluistering is het allemaal wat veel en overweldigend, maar de prachtige productie van Sascha Paeth en de bonte afwisseling dagen uit en zorgen ervoor dat Mayan’s debuut nog lange tijd -terecht- voorrang krijgt.
Dat dit doom-instituut haar eigen donkere weg gaat, is al jaren duidelijk, maar nu slaat ze wel een heel duister paadje in. Evinta is namelijk een verzameling symfonische arrangementen en soundscapes waarin ‘bekende’ melodieën van eerder werk van de band terugkomen. Uiteraard net zo uitgesponnen als het reguliere werk, het grote verschil is het ontbreken van de gitaarmuur en dreunende drums. Het leuke is dat je de melodieën dus een beetje terug kunt zoeken. Aangezien de band naar eigen zeggen zo’n vijftien jaar aan dit project heeft gewerkt, valt er flink wat terug te horen. Om te zorgen dat de tracks helemaal af zijn en klinken als volwaardige composities, riep de band de hulp in van Johnny Maudling (Bal Sagoth). Gelukkig ontbreken ook de zieltogende spraak- en zangstukken van zanger Aaron Stainthorpe niet. Dat deze release er ook nog eens erg verzorgd uitziet, dat maakt het geheel alleen maar sterker.
Van sommige muzikale projecten word je spontaan nieuwsgierig. Het overkwam mij bij de introductie van Nader Sadek, een project van de Egyptische, in New York woonachtige kunstenaar met dezelfde naam. Sadek maakt onconventionele en donkere kunst en heeft in het verleden al eens samengewerkt met grootmachten Mayhem en Sunn O))); niet de meest toegankelijke en lichte jongens. Het door Sadek geproduceerde en geregisseerde In The Flesh is een tekstueel concept waarin olie de zelfvernietigende brandstof van de menselijke hebzucht wordt. Muzikaal is In The Flesh een donker amalgaan van verstikkende black en death metal die als een wokkel om zijn mediaan draait. Het ambitieuze project van Nader Sadek is echter met name interessant omdat hij voor de gewenste uitvoering grote en getalenteerde jongens selecteerde die hun sporen al verdienden in Morbid Angel, Mayhem, Cryptopsy en Monstrosity. En die bands vormen een aardige optelsom voor de muzikale richting van Nader Sadek.
Entity, de nieuwe cd van de Amerikaanse deathmetal band Origin is zo’n beetje het extreemste wat er momenteel voor handen is. De kriegelige en supersnelle solo van opener Expulsion Of Fury zet wat dat betreft de toon. Maar Origin is op haar vijfde cd niet alleen megabruut en extreem, ook verrassend gestroomlijnd en helder gedetailleerd. In de juiste stemming is dit vurige temperament een lust voor het oor.
Deze Noren maken stevige progressieve metal met melodieuze zang. Het is inmiddels hun vijfde wapenfeit en er zijn nog immer raakvlakken met bands als Crimson Glory, Helloween en de oude Queensryche.
Alle muzikanten in Pagan's Mind zijn stuk voor stuk virtuoos en dat laten ze graag horen.
Op Into the Aftermath is het intro onnavolgbaar en gaat de drummer helemaal los in strakke roffels en ingewikkelde overgangen. Een genot om naar te luisteren. Met de productie zit het ook wel snor. Alle instrumenten zijn kraakhelder aanwezig en de zang klinkt als een klok.
De songteksten hebben meestal een misterieus karakter. De keyboards die veelvuldig ingezet worden zorgen vaak voor een buitenaardse sfeer, om vervolgens weer heel onheilspellend te klinken. De muziek is te complex om de nummers gelijk mee te zingen maar de melodieën zijn ijzersterk. The Master's Voice is de winnaar van dit album, vanwege de enorme hoeveelheid energie die dit nummer heeft. Over het geheel is Heavenly Ecstasy een sfeervol rockend album met een schat aan topcomposities.
Het is weer party time met Peter Tägtgren. Meer dan eerder als je de openingstrack hoort. Het tempo zit er flink in en de sound lijkt iets minder klinisch dan op de laatste albums. Toch steken behalve de electro-invloeden ook de gothic-invloeden de kop op. Wel is dit album wat vrijer van opzet en lijkt Pain niet meteen enkele singles te hoeven pluggen. De riffs zijn overwegend weer stevig, zoals in de The Great Pretender en ook tekstueel ligt er wat meer gewicht in de waagschaal. Hoewel, wat we ook van eerder albums kennen, worden de nummers er niet veel sterker op naarmate plaat vordert. De pret drukt dat echte niet, want Pain staat toch vooral bekend om haar rechttoe rechtaan doorpompende riffs. En die vind je op dit album weer legio.
Op de EP The Cold Embrace Of Fear bereikte Rhapsody Of Fire de overtreffende trap van bombast. Op Chaos Of Eternity doen ze gelukkig geen pogingen om dat nog eens te verbeteren, want dat zou echt een onluisterbare martelgang zijn geweest. Niet dat de heren opeens als een akoestisch trio door het leven gaan, maar er staan zowaar een paar niet helemaal in keyboard- en gitaartapijten verstikte songs op. Dat zou te danken kunnen zijn aan nieuwe (ritme) gitarist Tom Hess, die ook een paar solo’s voor zijn rekening neemt. De band heeft aangekondigd dat dit hun laatste CD is in een lange serie met fantasy thema’s. Het lange slotakkoord Heroes Of The Waterfalls’ Kingdom (hoe krijgen ze het verzonnen) is wel weer een fantastisch staaltje operametal. Nu maar afwachten of ze moed hebben het op de volgende plaat echt over een andere boeg te gooien.
Net als het deze maand verschijnende derde album van Black Stone Cherry is Seether een band die vooral in Amerika hoge ogen gooit met hun radiovriendelijke rocksound. Het lijkt dan voor zulke bands als bijna vanzelfsprekend om per album steeds meer van rock naar pop op te schuiven. Zolang dit niet ten koste gaat van de kwaliteit van de muziek is dit geen probleem. In het geval van Seether is dit ook ongetwijfeld een verdienste van Pearl Jam producer Brendan o' Brien die zorgt dat de band nergens over de rand kiepert.
Seether koppelt pakkende melodieen aan een geluid dat je inmiddels zou kunnen omschrijven als post-grunge waarbij de gitaren doorgaans netjes binnen de lijntjes blijven. Dat neemt niet weg dat ze met Desire for Need één hun meest stevige song ooit afleveren. Waardoor je toch benieuwd bent hoe het zou zijn als ze eens een heel album lang flink op het gaspedaal zouden trappen.
Als je bij een black metal band moet concluderen dat hun zevende album een opvallend neerslachtig en miserabel gestemd eindresultaat oplevert is dat op zich niets bijzonders. Alleen zijn er weinig bands waarbij die gevoelens zo zwaar binnenkomen als bij het Zweedse Shining. Het zijn niet zozeer het verwoestende gitaarriffs of de teksten over de ellende die de mens zichzelf aandoet, als wel de onbehaaglijke productie die de boodschap kracht bijzet. Open akkoorden die voorkomen dat de jagende storm aan geluid echt doorzet of de clean gezongen passages, ze zorgen er steeds weer voor dat je net weer even op het verkeerde been wordt gezet en weer even naar adem kan happen voor je verder in het geweld zwelgt. Hoewel Shining op eigen kracht haar mannetje staat, zijn de gastbijdragen van Erik Danielsson (Watain) en Håkan Hemlin (Nordman) ook zeker de moeite waard.
Voordat Marco Hietala met Nightwish wereldfaam vergaarde, was hij al vijftien jaar actief in Tarot, dat hij samen met zijn broer oprichtte. Hoewel hun carrière door de successen elders grote gaten vertoont, heeft Tarot nooit definitief het loodje gelegd. Vorig jaar verscheen nog Gravity Of Light en ter gelegenheid van het 25 jarig jubileum verschijnt nu een integraal opnieuw opgenomen versie van hun debuut The Spell Of Iron. Het grootste verschil met het origineel is de sterk verbeterde productie en naast de zang van Hietala de tweede stem van Tommi Salmela, die zich pas in de jaren negentig bij de band aansloot.
Wederom is de Noorse mythologie het voornaamste onderwerp op het nieuwe, alweer zesde album, van deze vikingmetalband afkomstig van de Faeröer eilanden. Niet dat we iets anders van deze trotse mannen willen horen, want ze doen waar ze goed in zijn.
Zo klinken de opnames weer geweldig. Beukende drums, ronkende bas en messcherpe gitaren die met groot vakmanschap zijn gespeeld. Het album staat bol van de energie en het zijn vooral de melodieën en de meeslepende zang die deze plaat zeer aangenaam luisterbaar maken.
Hall of Freedom en Fields of the Fallen zorgen dat er een lekker tempo heerst.
De ballad Konning Hans wordt schitterend opgebouwd. Het intro is nog rustig gespeeld met een akoestische gitaar, maar het zwelt steeds meer aan en uiteindelijk barst het geweld weer los. De voertaal is, naast het Engels, ook Faeröers, wat helaas niet altijd zo goed te begrijpen is, maar wel weer bijdraagt aan de eigenheid van Týr.
Mijn gebeden zijn verhoord om dit legendarische concert uit te geven. Hoewel heel erg dicht op de fantastische laatste studioplaat, moet men toch nog maar eens in de beurs tasten voor dit spectaculaire concert. Met gitaristen Steve Vai en Adrian Vandenberg a.k.a the Flying Dutchman in de gelederen wordt hier een registratie gegeven van een concert dat Whitesnake als headliner van het Monsters Of Rock-circus in 1990 gaf. Openend met Slip Of The Tongue, titelsong van de zojuist uitgebrachte plaat, werken Coverdale en zijn kompanen zich door een set heen die zwaar leunt op die nieuw plaat en natuurlijk 1987. Slide It In mag nog en de twee opnieuw opgenomen tracks Crying In The Rain en Fool For Your Loving. Van het echte oude werk vinden we eigenlijk alleen Ain’t No Love terug. Steve Vai mag nog twee solonummers spelen van zijn dan net verschenen Passion & Warfare. Ook bij herbeluistering kan ik nog steeds genieten van dit concert waarin niet alleen fantastisch gemusiceerd wordt maar dat ook nog eens een echte authentieke live feel bevat aangezien niet alle oneffenheden weggepoetst zijn. Naast de de dubbel cd is er ook een dvd-versie en een die beide combineert. Een meesterlijk optreden!
Jarenlang leverden The Flower Kings een (dubbel) CD per jaar af, soloprojecten niet meegerekend. De laatste in die indrukwekkende serie was The Sum Of No Evil uit 2007. Daarna volgde een ongekend lange stilte uit Zweden. Tour Kaputt doorbreekt die maar heel bescheiden, want het gaat om vier jaar oude live opnamen van de tour die volgde op de release van hun meest recente studio CD. Op deze dubbelaar komt dat album bijna volledig aan bod, aangevuld met een selectie Flower Kings standards als I Am The Sun en Stardust We Are. Vier jaar geleden zou dit live album enigszins schouderophalend ontvangen zijn. Nu koesteren we deze release in de hoop dat deze band binnenkort weer eens echt ontbrandt. De titel is overigens geïnspireerd op een aanrijding van de tourbus met een eland. Een DVD met dezelfde setlist is ook leverbaar.
Memories Of Machines is het langverwachte droomhuwelijk tussen Giancarlo Erra van No Sound en Tim Bowness van No Man. De eerste steen van deze CD werd gelegd in Rome in april 2006, maar het duurde uiteindelijk tot december 2010 voordat het eindresultaat de heren geheel kon bekoren. Met onder andere Peter Hammill, Robert Fripp en de onvermijdelijke Steven Wilson hebben ze een lijstje gastmuzikanten om van te watertanden. Zonder deze halfgoden te degraderen tot figuranten, zijn het wel degelijk vooral Erra en Bowness die hun stempel op Warm Winter gedrukt hebben. De muziek varieert van de verstilde schoonheid van het openings- en slotnummer tot de nogal Floyd achtige tracks Before We Fall en Change Me Once Again. De onweerstaanbare combi van melancholische keyboards en akoestische gitaar eist regelmatig een hoofdrol op. Net als bij No Man moet je wel uit de voeten kunnen met de droevige snikstem van Bowness om maximaal van Memories Of Machines te kunnen genieten.
Symphony X is inmiddels uitgegroeid tot een grootmacht in de prog metal, dus het Duitse label Nuclear Blast mag tevreden zijn deze vis eindelijk gevangen te hebben. Iconoclast handelt over een wereld die langzaam overgenomen wordt door machines. De CD start fabuleus met het bijna elf minuten durende titelnummer, dat zo in het rijtje van The Walls Of Babylon en The Odyssey past. Russell Allen zingt als vanouds de longen uit zijn lijf, Michael Romeo soleert even heavy als vloeiend en er komt zelfs een Therion achtig koor langs waaien. Daarna volgen zeven hoogstaande staaltjes prog metal, waarbij Symphony X zelfs in de meest heavy songs altijd een infectieuze melodie weet te stoppen. Net als op Paradise Lost zijn de composities in het algemeen wat strakker gesneden en stappen de keyboards niet heel vaak uit hun ondersteunende rol, behoudens wat subtiliteiten in de arrangementen. De limited edition is verspreid over 2 CDs, komt in digipack en bouwt deze toch al niet karige CD verder uit met nog eens drie nieuwe tracks.
A Filetta is vocal ensemble (polyphony) uit Corsica en binnenkort in Nederland voor concerten en onlangs nog te zien bij het tv progamma Vrije Geluiden. A Filetta onderscheid zich door naast het zingen van traditionele Corsicaanse liederen ook samen te werken met muzikanten uit Georgie, Griekenland, jazz trompetist Paolo Fresu en componist Bruno Coulais. Requiem pour deux regards is de titel van de nieuwe cd.
Recentie:
Al dertig jaar vertolkt het zevenkoppige A Filetta het unieke geluid van Corsica. In opdracht van het Festival de Saint-Dénis 2004 schreef Jean-Claude Acquaviva dit Requiem pour deux regards voor zeven mannenstemmen, verteller en bandoneon. Op bijzondere wijze wordt de scheidslijn tussen leven en dood in beeld gebracht met visionaire teksten over het leven en de daaropvolgende dood. Naast polyfone zang is er ruimte voor de traditie van het eiland en oog voor het Gregoriaans en de Renaissance. Een boeiend en tijdloos document dat oude gezangen en tradities verbindt met de hedendaagse ervaringen van mensen.
Begin 2011 werd componist, pianist en dirigent Thomas Adès veertig. Inmiddels kan hij terugkijken op een groot aantal verschillende composities in diverse genres die hij in meer dan twintig jaar gecomponeerd. EMI brengt in de serie British Composers drie albums uit de opera Powder Her Face, liederen en kamermuziek, waaraan de componist zelf heeft gewerkt. Hij kan worden gezien als een nieuwe Benjamin Britten waar nog veel van wordt verwacht. Op 17 juni 2011 – tijdens het Holland Festival – zal hij het Koninklijk Concertgebouworkest dirigeren in één het complexe en avanceerde Tevot, dat inmiddels al met veel succes in Berlijn werd uitgevoerd. Deze albums bieden een aardig inzicht van het werk van één van de meest aansprekende componisten van onze tijd.
Begin 2011 werd componist, pianist en dirigent Thomas Adès veertig. Inmiddels kan hij terugkijken op een groot aantal verschillende composities in diverse genres die hij in meer dan twintig jaar gecomponeerd. EMI brengt in de serie British Composers drie albums uit de opera Powder Her Face, liederen en kamermuziek, waaraan de componist zelf heeft gewerkt. Hij kan worden gezien als een nieuwe Benjamin Britten waar nog veel van wordt verwacht. Op 17 juni 2011 – tijdens het Holland Festival – zal hij het Koninklijk Concertgebouworkest dirigeren in één het complexe en avanceerde Tevot, dat inmiddels al met veel succes in Berlijn werd uitgevoerd. Deze albums bieden een aardig inzicht van het werk van één van de meest aansprekende componisten van onze tijd.
Begin 2011 werd componist, pianist en dirigent Thomas Adès veertig. Inmiddels kan hij terugkijken op een groot aantal verschillende composities in diverse genres die hij in meer dan twintig jaar gecomponeerd. EMI brengt in de serie British Composers drie albums uit de opera Powder Her Face, liederen en kamermuziek, waaraan de componist zelf heeft gewerkt. Hij kan worden gezien als een nieuwe Benjamin Britten waar nog veel van wordt verwacht. Op 17 juni 2011 – tijdens het Holland Festival – zal hij het Koninklijk Concertgebouworkest dirigeren in één het complexe en avanceerde Tevot, dat inmiddels al met veel succes in Berlijn werd uitgevoerd. Deze albums bieden een aardig inzicht van het werk van één van de meest aansprekende componisten van onze tijd.
Francesco Geminiani is één van de vele Italiaanse muziekvirtuozen die in het buitenland een glansrijke carrière maakte. In Engeland – waar zijn leermeester Corelli erg populair is – is hij één van de beste violisten en muziekdocenten van zijn tijd. Hij doceert nieuwe technieken. Zijn werken zoals de Concerti grossi opus 2 (1732) zijn zeer geliefd en geven daarmee inzicht in de muzikale voorkeuren in deze tijd. De op authentieke instrumenten spelende leden van Auser Musici werken vanuit Pisa en hebben reeds diverse opnamen op hun naam staan. Met dit album zal de waardering binnen en buiten Europa alleen maar toenemen.
De Amerikaanse pianist Nicholas Angelich (1970) neemt in het openingsdeel van de Goldberg Variaties (1741), de zogenaamde ‘aria’, een groot risico door een griezelig langzaam tempo te kiezen op het randje van wat nog kan, maar uiteindelijk pakt het goed uit. Hij weet de innerlijke beweging tot het eind gaande te houden en laat de prachtige melodielijn van deze ‘aria’ mooi tot zijn recht komen.
Angelich laat vervolgens in de dertig variaties op onnadrukkelijke wijze met een subtiel gebruik van dynamische wendingen en een fijnzinnige frasering horen, dat hij oor heeft voor de grote lijnen in dit werk. Geholpen door Angelichs prachtige doorzichtige spel en een fraaie ruimtelijke opname leidt dit alles tot een verfrissende luisterervaring.
De Argentijnse Ingrid Fliter heeft op haar Beethoven-CD gekozen voor drie bekendere sonates (de “Pathétique”, de “Tempest” en de “Appassionata”). In de “Pathétique” lijkt zij in het overbekende langzame deel te veel te willen en zoekt ze het in een bijna tergend langzaam tempo. Als ze hier en daar ook nog vertraagt staat de muziek af en toe stil. Voor het hele album geldt dat haar fortissimi soms niet in verhouding staan tot de zachtere passages. Jammer, want in alle drie de sonates laat ze ook horen (ondanks een te ruimtelijke opname met te veel ‘laag’), dat ze wel degelijk piano kan spelen en dat er op veel plekken een temperamentvolle ‘flow’ in haar spel zit.
Het Artemis kwartet speelt een verassend interessant programma van Beethovens vroege strijkkwartet nummer 5 in A, opus 18, en nummer 16 in F, opus 135. De nonchalante vlotheid van de opus 18 is Beethoven die zich richt op Mozart. Met name in het Andante weet het Artemis kwartet (dit kwartet speelde het laatste jaar vrijwel uitsluitend deze werken van Beethoven) frivool en zonnig te spelen. Opus 135 laat in het Allegretto de cello zwaar starten, dit wordt goed geaccentueerd door de cellist. Hoewel een mild spel volgt, neemt de grimmigheid toe. Het Allegro, slot van dit kwartet, en met de vraag in de titel “Muss es sein? Es muss sein!” start opnieuw met de cello, zwaar en aangedaan. Beethoven lijkt vervolgens alles wat gericht was op Mozart in strijkkwartet nummer 5, op losse schroeven te zetten. Vaak slaat de cello een onheilspellende fatale toon aan, gevolgd door een blijmoedige thematiek van de violen. Het experiment kenmerkt het karakter. Moet het zo zijn? Ja, want zo was Beethoven nu eenmaal. En daarmee weet het Artemis kwartet dit programma op de juiste manier te interpreteren.
In 2001 werd in de solistencategorie van Victoires de la Musique Classique de Franse celliste Emmanuelle Bertrand ontdekt. Inmiddels heeft zij voor Harmonia Mundi diverse succesvolle albums geproduceerd. Op de bijgeleverde dvd vertelt ze met veel passie over de bijzondere aspecten van de cello. In het werk van Pascal Amoyel voegt zij haar stem bij het geluid van de cello. Een bijzondere ervaring. Het programma bestaat verder uit cellomuziek van de afgelopen eeuw, zoals de derde cellosuite van Britten, de dansen in de suite van de Catalaan Cassadó en de veel gespeelde suite van Kodály. Een boeiende en prachtige opgenomen album, dat fans van de cello niet kunnen negeren.
Giulini nam zijn eerste Brahms-cyclus al in de late jaren zestig op, maar was daar niet echt tevreden over. Vooral de opname van de vierde liet volgens de Italiaanse dirigent te wensen over. In de jaren zeventig en tachtig dirigeerde hij de symfonieën van Brahms regelmatig in Los Angeles, maar pas in de jaren 1989 – 1991 nam hij zijn definitieve Brahms-symfonieën op, bij de Wiener Philharmoniker. Hoewel Guilini opteert voor tragere tempi dan gebruikelijk, verliest zijn interpretatie nergens aan urgentie en dramatische zeggingskracht. De als bonus toegevoegde Haydn-variaties zijn daarvan misschien nog wel het beste bewijs. Goed dat Newton deze opnames weer beschikbaar stelt.
Bestaat er een bekendere melodie dan die van Für Elise? Nu, misschien het einde van de negende symfonie. Waar de negende symfonie ook door Beethoven zelf als een grensverleggend werk werd beschouwd, zag hij Für Elise als een Kleinigkeit, een bagatelle. Gedurende zijn hele leven schreef Beethoven dergelijke miniatuurtjes voor piano, in lengte variërend van krap twintig seconden tot bijna vier minuten. Alle overgeleverde bagatelles zijn nu op een cd verzameld door Ronald Brautigam, die hiermee op indrukwekkende wijze zijn complete opnames van alle pianowerken van Beethoven vervolgt
Het Nederlands Blazers Ensemble is al meer dan vijftig jaar niet weg te denken uit het Nederlandse muziekleven en brengt al jaren haar eigen cd’s uit. In het begin van de jaren zeventig nam Edo de Waart samen met het ensemble voor Decca de complete muziek voor blazersensemble van Richard Strauss op en, samen met hobist Heinz Holliger en het New Philharmonia Orchestra het befaamde hoboconcert. Lange tijd niet leverbaar, maar Newton heeft ze gelukkig op deze fraaie dubbelaar weer bijeengebracht. Mooi dat deze opnamen weer beschikbaar zijn.
In het najaar van 1566 werden in talloze steden in Nederland de inventaris van katholieke kerken, kloosters en kapellen vernield en gestolen. Kelken, schilderingen, orgels en ook liturgische boeken moesten het ontgelden. De Leidse Pieterskerk viel op 25 en 26 augustus in dat bewuste jaar ook ten prooi aan deze Beeldenstorm. Wat echter in de Pieterskerk deze Beeldenstorm overleefde waren o.a. de zes koorboeken van het zeven-getijden college.
Het Egidius Kwartet is vorig jaar begonnen aan een project om jaarlijks een doorsnee van het repertoire van ieder van deze zes koorboeken vast te leggen op een dubbele CD set. Recent werd uitgebracht het 2e deel (of hier anders gezegd Codex B) van deze serie.
Wat wij hier voorgeschoteld krijgen zijn wederom glaszuiver gezongen 16-eeuwse koorgezangen. Voor de liefhebber van Polyfonie gezangen een waar feest. Uitgevoerd worden werken van o.a. Christianus Hollander, Clemens Non Papa, Iosquin Baston en Johannes Lupi. Op deze CD set is ondermeer geselecteerd het vijfstemmige Maria Magdalena wat als het meesterwerk van Clemens Non Papa aangemerkt mag worden.
Tenslotte mag ook niet onvermeld worden de wederom prachtige uitvoering van het CD boekje met uitgebreide informatie, inclusief de tekst van de koren, maar bovenal ook de schitterende kleurenfotografie.
Eind dit jaar zal The Florestan Trio bestaande uit Susan Tomes (piano), Anthony Marwood (viol) en Richard Lester (cello) uiteen vallen. Dit is het afscheidsalbum van het alom geprezen trio. Shostakovich schreef zijn eerste pianotrio op zijn zeventien, waarmee hij reeds lof oogste.Twintig jaar later componeert hij zijn turbulente tweede pianotrio, een meesterwerk, tijdens het oorlogsgeweld in Sint Petersburg. Op verzoek van Mstislav Rostropovich componeerde Shostakovich The Seven Romances on Poems of Alexander Blok die hij graag met zijn vrouw wilde uitvoeren. Shostakovich koos evenwel voor begeleiding van diverse instrumenten. Susan Gritton levert door haar sterke optreden een uitstekende bijdrage aan deze memorabele opname.
Deze Italiaanse cast brengt enkele prachtige koorwerken van Verdi, zoals zijn laatste Sacrale Liederen die hij kort voor zijn dood componeerde voor sopraan en koor. Bijzonder is Hymn to the Nations dat Verdi in 1842 schreef voor de Wereldtentoonstelling in London. Na een tenorsolo volgt een majestueuze versie van God save the Queen. Uit de Messa per Rossini het Libere me, Domine met elementen die terugkomen in het beroemde Requiem. Eén van zijn mooiste koorwerken is het slotkoor uit de derde akte van La forza del destino waarbij Leonora naar het klooster wordt gezonden. Een op en top Italiaanse productie.
Alan Curtis bouwt aan een grote naam als Händel-dirigent en nam diens Ariodante nog geen tien jaar geleden al op. De reden voor deze nieuwe opname moge duidelijk zijn: de dirigent heeft een waar sterrenensemble om zich heen verzameld, met mezzo Joyce DiDonato als blikvanger én een hoofdrol voor zijn eigen ensemble, Il Complesso Barocco. Curtis opteert voor rappe tempi, zo is zijn opname van de befaamde aria Scherza infida bijna twee minuten sneller dan die van collega Marc Minkowski, maar nergens doet dit geforceerd aan, integendeel de muziek van Händel bruist op deze opname van begin tot eind.
In het Liszt-jaar brengt Sony Classical alle opnamen die Vladimir Horowitz van Liszt maakte voor het label in een prachtig vormgegeven boekwerkje met vier cd’s. Live-opnamen worden afgewisseld met studioversies, waarvan de oudste uit de jaren dertig stammen. Hierdoor krijgen we niet eenmaal, maar vijfmaal (!) de eerste Valse oubliée en ook de grote pianosonate is tweemaal vertegenwoordigd – een overdosis, maar doordat tussen de eerste en laatste opname bijna een halve eeuw zit ook een bijzondere blik op de ontwikkeling van de pianist, die een fluwelen touch koppelde aan een grote eigenzinnigheid.
Vorig jaar bestond het door Paul van Nevel opgerichte Huelgas Ensemble veertig jaar. Het Ensemble heeft zich gespecialiseerd in (vaak onbekende) muziek uit de Middeleeuwen en de Renaissance, waarbij vijftig albums werden afgeleverd. Sigarenliefhebber Paul van Nevel heeft dit thema aangegrepen om een bijzonder programma met liederen over sigaren samen te stellen. album gemaakt waarin – naast een korte geschiedschrijving van de sigaar – een boeiende verzameling liederen van de vijftiende tot de twintigste eeuw over sigaren is opgenomen. Zo zijn we op de Cubaanse tabaksvelden en worden Londen, Parijs en Berlijn aangedaan. Het genotsproduct levert een dromerig, subtiel ironisch, melancholisch en vaak humoristisch plaatje dat in deze muziek wordt weerspiegeld. Een boeiend rijk geïllustreerd album voor de avonturier die wel of niet van sigaren houdt.
Tussen 1994 en 2006 nam Ivo Janssen voor zijn eigen label VOID Classics alle klavierwerken van Bach op, waarbij hij gebruik maakt van de moderne piano. Het is Bach op een andere wijze ervaring. Het blijft Bach, maar door het instrument lijkt Bach dichterbij te staan dan de uitvoer op historische instrumenten. De uitgevoerde werken worden uitstekend gespeeld, waarbij de opnamekwaliteit constant hoog is. Een doosje om voor langere tijd van Bach te genieten. Tussen 1994 en 2006 nam Ivo Janssen voor zijn eigen label VOID Classics alle klavierwerken van Bach op, waarbij hij gebruik maakt van de moderne piano. Het is Bach op een andere wijze ervaring. Het blijft Bach, maar door het instrument lijkt Bach dichterbij te staan dan de uitvoer op historische instrumenten. De uitgevoerde werken worden uitstekend gespeeld, waarbij de opnamekwaliteit constant hoog is. Een doosje om voor langere tijd van Bach te genieten.
Overzicht van de gespeelde werken:
Goldberg Variations (VOID9801)
Toccatas (VOID9802)
French Overture, French Suites 1-3 (VOID9803A)
French Suites 4-6, Italian Concerto (VOID9803B)
Inventions, Preludes, Symphonies (VOID9804)
Das Wohltemperierte Klavier 1, 1-12 (VOID9805A)
Das Wohltemperierte Klavier 1, 13-24 (VOID9805B)
English Suites 1-3 (VOID9806A)
English Suites 4-6 (VOID9806B)
Partitas 1-3-4 (VOID9807A)
Partitas 2-5-6 (VOID9807B)
Das Wohltemperierte Klavier 2, 1-12 (VOID9808A)
Das Wohltemperierte Klavier 2, 13-24 (VOID9808B)
Die Kunst der Fuge (VOID9809)
Fantasies, Capriccios, Variations (VOID9810)
Sonatas, Duets (VOID9811A)
Suites (VOID9811B)
Preludes, Fugues (VOID9812)
Transcriptions of Concertos (VOID9813A)
Transcriptions of Concertos (VOID9813B)
Beethovens enige opera is ontelbare malen vastgelegd zodat de concurrentie enorm is, maar deze nieuwe opname trekt gelijk veel aandacht. Niet omdat Tatjana Gürbaca nieuwe dialogen schreef, wel door de rolbezetting. Jonas Kaufman is momenteel de beste Florestan, en Nina Stemme schittert als Leonore. Ook de kleinere rollen zijn uitmuntend bezet en al even indrukwekkend zijn de prestaties van het Arnold Schoenberg Chor, dat fluisterzacht zingt in O welche Lust en vol passie in de aan de hemel reikende finale. Een van de beste opera-opnames van Claudio Abbado, en dat wil wat zeggen.
Naast belangrijk muziektheoreticus was De Brossard een begenadigd en zeer productieve componist. Hij schreef wereldlijke en geestelijke liederen in Frankrijk in de tijd van Lodewijk XIV. Zijn stijl vervlocht de subtiele Franse met de virtuose Italiaanse, en die van de rest van Europa: een goed voorbeeld van de zogenaamde Goûts Réunies. Zijn werk is helaas niet erg bekend, daarom is het fantastisch dat het ensemble La Rêveuse samen met een aantal voortreffelijke zangers deze prachtige plaat geheel aan De Brossard geweid heeft. Het is een zeer geslaagde uitvoering van de cantate Leandro over de liefde van Leandre en Hero, een aantal korte oratoria en een triosonate.
De jonge Russische sopraan Julia Lezhneva (1989) won op haar zeventiende al haar eerste grote concours en is een protégée van Dame Kiri Te Kanawa. Ze beschikt op jeugdige leeftijd al over een opmerkelijk ruim repertoire, variërend van bel canto tot Bach, van Vivaldi tot Rossini. Aan deze laatste is haar eerste soloalbum gewijd, waarbij ze wordt begeleid door het voortreffelijk licht klinkende Sinfonia Varsovia onder leiding van barokspecialist Marc Minkowski die echter hoorbaar met veel plezier zich over Rossini ontfermt. Voor Lezhneva lijken zelfs de lastigste coloratuurpartijen geen enkel probleem. Een revelatie!
Op het fraaie voorhoofd van Julia Lezjneva zou je een sticker willen plakken. VORSICHT! Die waarschuwing is bedoeld voor iedereen die zich beroepshalve bezighoudt met jeugdig supertalent.
Lezjneva, een Russische sopraan van 21, wint prijs na prijs. Zodra ze op haar debuut-cd in de huid kruipt van Rossini-heldinnen als Elena en Semiramide, begrijp je ook waarom.
Schiet menig zangeres bij het naderen van een Rossiniaanse versiering in de vechtstand, Julia Lezjneva blijft de rust zelve. Geen wonder dat de Franse dirigent Marc Minkowksi zich over haar heeft ontfermd. Hij wil de zangeres vast nog wel leren hoe ze meer kleur aanbrengt. Want dat is het enige: met haar goudeerlijke geluid is Julia Lezjneva nog niet helemaal klaar voor de getourmenteerde typjes van het operarepertoire.
(Volkskrant)
Sinds haar succesvolle Händel optreden in Glyndebourne, wordt Danielle de Niese gelinkt met barokmuziek. Op dit derde soloalbum brengt zij Engelse, Duitse en Italiaanse aria’s, waarbij ze wordt begeleid door één van de vooraanstaande barokorkesten. Zij schittert in Ombra mai fu (Händel), brengt een aangrijpende When I am laid in earth (Purcell), komt in Monteverdi’s Pur ti miro Andreas Scholl tegen en geeft een lieflijke vertolking van Schafe können sicher weiden (Bach). Op dit album laat zij wederom horen dat ze voor elk van deze werken, die qua karakter nogal verschillen, de juiste toon weet te vinden. Haar fans mogen dit album zeker niet missen.
De jonge getalenteerde Tsjechische pianiste Slavka Pechocova brengt werken van Schumann en Chopin, die zij aan een dame hebben opgedragen. Hart van de opname is het improviserende Carnaval (1835) waarin Schumann zijn eerste geliefde eert en zelfs een passage aan Chopin wijdt. Ongeveer zeven jaar later componeert Chopin deze Ballade, Nocturne, Scherzo en Fantaisie. Beide componisten verleggen in hun tijd de grenzen van de horizon. Pechocova, die gebruik maakt van de moderne piano, geeft een heldere transparante vertolking, wat met de goede opname een uitstekende opname oplevert.
De Britse sopraan Margaret Price vierde haar grootste triomfen in de jaren zeventig en werkte met vrijwel alle grote dirigenten. Ze schitterde in vele Mozart-rollen, maar ook in het liedrepertoire. In 1999 stopte ze met optreden en trok zich terug op het platteland van Wales. Begin januari overleed ze op zeventigjarige leeftijd en als herinnering aan deze uitzonderlijke zangeres brengt EMI dit album met liederen van Strauss en Liszt die lange tijd niet leverbaar waren opnieuw uit. Een prachtig eerbetoon.
Aanvullende informatie:
Afgelopen januari overleed de beroemde Engelse Sopraan uit Wales plotseling. Haar carriere had zij reeds 10 jaar geleden afgesloten.
En wat voor een carriere en wat een prachtige stem had deze Margaret Price! Een aantal weken geleden is er een bijzondere cd van haar heruitgegeven met liederen van Richard Strauss en Franz Liszt.
Op deze cd wordt zij begeleid door Wolfgang Sawallisch in de Strauss liederen en door James lockhart in het Liszt repertoire.
Deze cd is een geweldige herinnering aan een hele mooie sopraan, die veel mooie recital cd's heeft opgenomen met o.a. Schubert, Schumann en Brahms.
De parels van deze cd zijn; Befreit, Allerseelen, Die Nacht en Heimliche Aufforderung ( R. Strauss)
Programma: Liszt:
O lieb, so lang du lieben kannst
Die Lorelei
Die stille Wasserrose, S321
Es muss ein Wunderbares sein, S. 314
Kling Leise, mein Lied, S301
Strauss, R:
All mein Gedanken ... Op. 21 No. 1
Heimliche Aufforderung, Op. 27 No. 3
Die Nacht, Op. 10 No. 3
Morgen, Op. 27 No. 4
Seitdem dein Aug' in meines schaute, Op. 17 No. 1
Wiegenlied, Op. 41 No. 1
Befreit, Op. 39 No. 4
Allerseelen, Op. 10 No. 8
Du meines Herzens Krönelein, Op. 21 No. 2
Fünf Lieder, Op. 48
Cäcilie, Op. 27 No. 2
Ständchen, Op. 17 No. 2
Zueignung, Op. 10 No. 1
Venetië, tweede helft van de 17e eeuw, drie componisten met totaal verschillende achtergronden.
Dit was het uitgangspunt van The Rare Fruits Counsel onder leiding van Manfredo Kraemer.
Het ensemble verzamelde sonata’s en sinfonia’s voor strijkers van de Duitse componist Johann Rosenmuller (1619-84) die zijn toevlucht zocht in Venetië vanaf 1655, De Italiaanse Giovanni Legrenzi (1626-90) en de jongere Toscaanse Allesandro Stradella (1639-82). In hoeverre hebben deze componisten elkaar ontmoet, elkaar gekend en elkaar beinvloed?
De vraag blijft onbeantwoord, maar het resultaat is een prachtige verzameling mooi uitgevoerde instrumentale werken.
Twee eeuwen geleden was het muziekklimaat in Wenen roerig en onzeker. Door de komst van de Fransen stopten de aristocratie allengs met het houden van privéconcerten, waardoor een ander muziekleven zou volgen. In deze onzekere tijden schreef Beethoven, zijn zevende symfonie. Uiteindelijk zou er een Weens orkest komen en de muziekuitvoering voor eeuwen verzekerd zijn. Philippe Herreweghe voltooid met dit album zijn complete cyclus van Beethoven symfonieën die hij met de Royal Flemish Philharmonie uitvoert. Met deze karaktervolle opnamen van zeer goede kwaliteit geeft de barok- en renaissancespecialist zijn visie op Beethoven. In dit geval de harmonische vierde en de levendige zevende symfonie.
De derde symfonie bracht hem wereldfaam, maar doet geen recht aan de klankrijkdom van Górecki. In tegenstelling tot de beroemde symfonie, kenmerken Kleines Requiem für eine Polka voor piano en dertien instrumenten en Lerchenmusik voor klarinet, cello en piano zich door een groot contrast tussen het langzame eerste deel en de snelle daaropvolgende delen. De zeer nauwgezette opname van Reinbert de Leeuw en het Schönberg Ensemble uit 1993 was een tijdje niet meer leverbaar, maar wordt gelukkig door Newton opnieuw onder de aandacht gebracht.
Op dit tweede album brengt Richard Tognetti de resterende vioolconcerten alsmede het Rondo in C en het Adagio in E. Het derde en vijfde vioolconcert werd vorig jaar uitgebracht. Samen met het Australian Chamber Orchestra waarmee Tognetti al vele jaren samenwerkt, wordt geprobeerd de uitvoeringspraktijk uit de tijd van Mozart te benaderen. Niet wordt er alleen op darmsnaren gespeeld, de blaasinstrumenten vertonen grote gelijkenis instrumenten uit Mozarts tijd en zijn op een andere toonhoogte afgestemd. Het resultaat is een helder en boeiend klinkend geheel waarbij er geen garantie is op authentiek spel, maar wel warme aansprekende klanken biedt.
In Europa is de Braziliaanse componist Heitor Villa-Lobos (1887-1959) hoofdzakelijk bekend door een charmant concert voor gitaar en kamerorkest en zijn werken voor solo gitaar, maar hij schreef – sterk beïnvloed door Bach en de Franse componisten van Les Six – vele orkestwerken in de meest uiteenlopende bezettingen. Berucht zijn daarbij zijn op z’n zachtst gezegd rommelige partituren, waardoor menig dirigent er veel moeite mee had, niet in de laatste plaats doordat de componist zich ook niet al te veel leek aan te trekken van klankbalans. Gelukkig zijn er daarom zijn eigen opnames, in de jaren vijftig in Frankrijk gemaakt en voor alle navolgers de maatstaf, nu keurig verzameld in deze vriendelijk geprijsde zes cd’s tellende box.
De leden van dit Britse a capella octet bestaat uit voormalige leden van kerkkoren. Inmiddels zijn meerdere albums met veel internationaal succes uitgebracht. Zij hebben een breed repertoire bestaande uit vroege muziek, koorwerken uit de Renaissance, maar ook jazz en pop songs. Dit zevende album is een registratie van een concert dat begin 2011 in Nantes werd gebracht met bewerkingen van liederen van Brahms, Reger en Bruckner. De motetten van Bruckner en Reger worden afgewisseld met liederen van Brahms waaronder het beroemde Wiegenlied. Een album voor iedereen die overtuigt is dat de jeugd de toekomst heeft.
Antonin Dvorak en Josef Suk zijn aan elkaar verwante componisten. Suk studeerde compositie bij Dvorak in Praag en zou later zijn schoonzoon worden. Beiden zijn uitstekende pianisten die hun voorliefde voor de viool delen. Antje Weithaas, een van de grootste violisten van onze tijd, brengt op uitstekende wijze met Sile Avenhaus een boeiend programma met de donkergetinte Capriccio, de Sonata in F en de sprankelende in Amerika gecomponeerde Sonatina van Dvorak. Van Suk de donkergetinte Balada en de goed geproportioneerde vier stukken voor viool en piano, waaruit blijkt dat Suk ook een groot violist is geweest.
Op zijn eerste cd voor Winter & Winter speelt Aarón Zapico werken voor klavecimbel van Frescobaldi (1583-1643) en diens Duitse leerling Froberger (1616-1667). Hij verfijnde de toccata’s van zijn leermeester verder en doordat Zapico leerling en meester voortdurend op elkaar laat volgen, is hun verwantschap goed te horen. Ingetogen stukken worden daarbij afgewisseld door snelle dansmuziek, waardoor een uiterst gevarieerd recital ontstaat. En zoals we van Winter & Winter gewend zijn, ziet het er weer prachtig uit, al had enige toelichting niet misstaan.
De twee boxen tellen ieder vier films die bijna alle speelfilms van Woody Allen bevatten tussen 1994 en 2000. Het zijn ondermeer latere meesterwerken als Bullets Over Broadway, over de ambitieuze schrijver David Shayne, die zich laat ondersteunen door de lokale maffia om zijn toneelstuk te bekostigen. Op de eerste set vinden we Everyone Says I Love You, Deconstructing Harry, Celebrity en Mighty Aphrodite, waar geadopteerde zoon Max zo'n groot genie blijkt dat adoptievader Lenny nieuwsgierig op zoek gaat Max's biologische moeder. Op de tweede set staan naast Bullets Over Broadway, Small Time Crooks, waar een bankoverval uitdraait op succes uit onverwachte hoek en Sweet And Lowdown, over een fictieve virtuoze jazzgitarist. Overigens is de vierde film van dit deel geen speelfilm, maar de documentaire Wild Man Blues over Allen tijdens de Europese tour met zijn New Orleans Jazzband. Daar blijkt de geestige neuroot nog maar eens in grote mate op de typetjes uit zijn films te lijken.
Love & Revolution is misschien wel het meest veelzijdige album van Nicola Conte.
Lounge, easy jazz, bossa en pop vormen de basis op deze plaat waar hij verder gebruik maakt van een arsenaal aan muzikanten en gastartiesten. Zo horen we Jose James in drie nummers zijn stem demonsteren. En ook Gregory Porter, die dit jaar langzaam aan het doorbreken is, neemt op twee tracks de vocalen voor zijn rekening.
“In 1981 the Metal struck like Thunder”, brult Joacim Cans op Bang Your Head van Hammerfalls achtste cd Infected. En dat is helemaal waar. Inmiddels zijn we een generatie verder en de melancholie kleurt ieder jaar dieper. Hammerfall is in 1997 opgericht om de liefde voor traditionele heavy metal uit te dragen en zo moet je Infected ook beluisteren. Je hebt het allemaal al eens eerder gehoord, maar na gewenning is ook deze Hammerfall weer erg lekker, heel fris en zelfs af en toe een klein beetje modern. Je wordt vanzelf gegrepen door de ongecompliceerde strijdvaardigheid en toegankelijkheid van de nummers. De grootste, kamerbrede gitaren leiden, de stoere drums en lage bassen volgen, de gitaarsolo’s zijn prachtig en zanger Joacim Cans heeft zijn staartveren maximaal uitstaan. Open de aderen, laat het bloed kolken en geef je eraan over.
Oorspronkelijk een soundtrack bij de gelijknamige film van Bill Morrison over het uiteenvallen van de noord Engelse mijngemeenschap (de DVD verschijnt in juni). Deze versie is live opgenomen in de Durham Cathedral, in de fascinerende bezetting van een 16-koppig blaasorkest, het kerkorgel, percussie en elektronica (het laatste vooraf opgenomen om de akoestiek van de kathedraal te kunnen “vangen”). Géén strijkers dus - qua instrumentatie (maar ook stilistisch) keert Johannsson terug naar de tijd van ‘Virthulegu Forsetar” (Touch, 2004). Maar dan veel minder statisch, want hoewel ‘The Miner’s Hyms gedragen begint wordt langzaamaan een onontkoombare dynamiek opgebouwd - een stevig volume is daarom aan te raden. Het thema van de film – de vergankelijkheid van de mijnindustrie maar ook de hechtheid van de mijnwerkersgemeenschap – is terug te vinden in de hoes en de titels (slogans van de mijnwerkersvakbond), maar ook in de eindeloos stijgende en dalende toonreeksen. De CD begint extreem donker en dreigend, maar tegen het eind verandert de toon in een meer luchtige, berustende en zelfs optimistische. Dat maakt nieuwsgierig naar de film, maar ook zonder de bijbehorende beelden is dit een bijzonder fascinerend, imposant, en soms ronduit aangrijpend muzikaal project.
Dj/producer Paul Kalkbrenner is iemand die op geniale wijze een nummer kan opbouwen. Zijn stuwende constante beats en subtiele minimalistische sounds hebben iets bezwerends en kunnen je heerlijk in een flow brengen. Zijn voorgaande album, Berlin Calling, uit 2008 is hiervan het absolute hoogtepunt en zorgde zelfs voor een hit met het nummer Sky and Sand. Icke Wieder ligt in dezelfde lijn al duurt het deze keer wat langer voordat het verwachte niveau gehaald wordt. Het klinkt allemaal wat frisser met hier en daar een losse repeterende gitaarriff en een vrolijk klinkend blazers combo. Het is zoals PK zelf over dit album zegt, niet vernieuwend maar gewoon " just like the old day's " en dat is meer dan genoeg voor heerlijke muziek voor zowel thuis, de dansvloer of nog beter op een van de komende zomer festivals.
Regie: Abdellatif Kechiche
Darwin's boek The Origin Of Species en het gegeven dat de mens van de apen afstamt heeft de wetenschap op het spoor gezet van een diepgaand onderzoek naar met name Afrikaanse rassen. In het begin van de 19e eeuw werd daar nog vrij rigide mee omgesprongen. Saartjie is een Hottentot-vrouw en wordt door circusmeester Caezar naar Londen gehaald om daar als circusattractie te worden geëxploiteerd. Ze wordt opgevoerd alsof ze een wild beest is en hoewel ze betaald krijgt voor haar 'werk' en volgens haar baas slechts acteert, wordt ze jarenlang misbruikt en vernederd.Als 'Hottentot Venus' wordt ze beroemd, maar haar eigen leven is voorgoed vernietigd. Een zeer aangrijpende film met zeer sterke hoofdrol van Yahima Torres. Vooral het trage tempo van deze vrij lange film (160 min.) versterkt het tragische karakter van dit stukje van het koloniale verleden.
Regie: Daniel Monzón
Vanaf de eerste scene zit je gevangen in Cell 211.” De teerling is geworpen” uit dit spannende briljante gevangenis drama is geen ontsnappen meer mogelijk.
Een aankomend gevangenisbewaarder gaat op de dag voor dat hij aan de slag gaat kijken op zijn nieuwe werkplek. Op dat moment breekt er een opstand uit. Zijn toekomstige collega’s moeten hem met een hoofdwond alleen achterlaten in cel 211. Als hij weer bij bewustzijn komt zit hij gevangen tussen de opstandelingen die niet weten dat hij een bewaarder is. Om te overleven moet hij een strategie bedenken. Cell 211 is goed geslaagd en gelaagd drama. Het verhaal is snel, geloofwaardig, beklemmend in beeld gebracht. Op een wat hoger abstract niveau weet de Monzón ook het functioneren van het gevangenissysteem in Spanje aan de kaak te stellen. Een aanrader.
Regie: Xavier Dolan
Dat deze film over de liefde gaat is geen verrassing, maar sex komt in Les Amours Imaginaires duidelijk op de tweede plaats. Het zijn juist de diepere lagen in de hartstochtelijke mens die regisseur Xavier Dolan hier wil tonen en dat geeft deze film een bijna filosofische lading die tot nadenken stemt. Nicholas is een engelachtige jongen met prachtige blonde krullen. Zowel Marie als haar beste vriend Francis, die duidelijk op mannen valt, vuren hun liefdespijltjes op hem af, maar eigenlijk willen ze hem allebei voor zichzelf. Er ontwikkelt zich een klassieke driehoeksverhouding die, zo blijkt al snel, geen lang leven beschoren kan zijn. De film is vrij fragmentarisch van opbouw. Dolan schildert als een impressionist met beelden en slaagt erin om een andere dimensie te vinden in het genre en je als kijker voortdurend te prikkelen en te kietelen.
Regie: Maria Peters
Sommige verhalen moeten verteld worden, vooral wanneer ze waargebeurd zijn en aan de vergetelheid dienen te worden ontrukt. Sonny Boy is het verhaal van de liefde tussen een 'blanke' en een 'zwarte' dat begint aan het einde van de jaren twintig, zoals opgeschreven is door Annejet Van Der Zijl. Rika, moeder van vier kinderen heeft genoeg van haar man Willem die vreemdgaat in hun eigen huis. Ze vertrekt met haar kroost naar Den Haag om een nieuw leven op te bouwen. Willem neemt hier echter geen genoegen mee en er ontstaat een pittige strijd. Dan huurt de jonge Surinaamse student Waldemar een kamer in Rika's woning, het begin van een stormachtige relatie. Ze krijgen zelfs een zoon, Waldy, maar al snel noemen ze hem Sonny Boy, naar een geliefde evergreen van Rika. Dan breekt de 2e Wereldoorlog uit... Ricky Koole speelt een prachtige rol tegenover de jonge onervaren Sergio Hasselbaink. De liefde spat van het doek in een verzorgd decor waarin niets aan het toeval over is gelaten. Alles is tot in de puntjes verzorgd in deze film. Dat maakt hem soms wat clean, maar de passie wint het hier en voor je het weet zit je mee te grienen.